Dutch course words - Chapter XI Flashcards
box
de doos
in front of
voor
beside/next to
naast
between
tussen
under
onder
car mechanic
de automonteur
butter
de boter
head
het hoofd
sheets
de lakens
bar
het café
painting
het schilderij
finger
de vinger
crossing (verb)
oversteken
wallet
de portemonnee
roof
het dak
with
met
at/in
bij
over
over
after
na
ribbon
het lint
mayonnaise
de mayonaise
ring
de ring
bracelet
de armband
along
langs
friend
de vriend
past/over (timewise)
voorbij
commercials
reclames
will/shall
zullen
to order
bestellen
to follow
volgen
while
poos
according to
volgens
spend on
besteden
end (verb)
eindigen
in
in
on
op
behind
achter
above
boven
through
door
sandwich
de boterham
cheese
de kaas
hat
de hoed
rascal (mosómedve / naughty child)
de boef
doorman
de portier
afraid
bang
light
licht
cigarette
de sigaret
basement
de kelder
at/around
om
to
naar
from
van
without
zonder
french fries
frietjes/de patat
necklace
de halsketting
earrings
de oorbellen
first
eerst
finished/done
klaar
to wait
wachten
so
dus
world war
de wereldoorlog
to write
schrijven
meal
de maaltijd
to think
denken
but
maar
besides
daarnaast
begin
beginnen
performance
prestaties