Dutch course words - Chapter V Flashcards
taking a shower
douchen
to have lunch
lunchen
lollipop
de lolly
to draw
tekenen
bucket
de emmer
grandma
de oma
station
het station
to build
bouwen
candles
de kaarsen
deaf
doof
bus stop
de bushalte
grey
grijs
wedding day
de trouwdag
policeman
de politieagent
money
het geld
stamp
de postzegel
living room
de woonkamer
to study
studieren
shopping
winkelen
to earn
verdienen
to cough
hoesten
guests
de gasten
to swim
zwemmen
to play chess
schaken
love to
houden van
sun
de zon
clouds
de wolken
beach
het strand
to have breakfast
ontbijten
to have dinner
dineren
cake
de taart
to get (an item)
halen
water
het water
grandpa
de opa
to try
proberen
to burn
branden
blind
blind
servant
de bediende
lessons
de lessen
brown
bruin
person
de persoon
fine (as in “pay a fine”)
de boete
ATM
de pinautomaat
bathroom
de badkamer
bedroom
de slaapkamer
front door
de voordeur
village
het dorp
cookie
het koekje
office
het kantoor
to sneeze
niesen
to do sport
sporten
to play tennis
tennis
ice skating
schaatsen
hobby
de hobby
rain
regen
snow
de sneeuw
skiing
skieën