Dutch course words - Chapter I Flashcards
to eat
eten
to drink
drinken
to sleep
slapen
to run
rennen
to call
bellen
to talk
praten
to write
schrijven
to read
lezen
to wash
wassen
to polish
poetsen
to cycle
fietsen
to drive
rijden
to learn
leren
to see
zien
to listen
luisteren
to watch
kijken
to buy
kopen
to cook
koken
to go
gaan
to play
spelen
to check
controleren
to fix
repareren
to make
maken
to stand
staan
to sit
zitten
to lie
liggen
bed
het bed
lamp
de lamp
clothes
kleren
banana
de banaan
chair
de stoel
boy
de jongen
mother
de moeder
father
de vader
walker
de wandelaar
child
het kind
dentist
de tandarts
student
de student
woman
de vrouw
man
de man
I
ik
you
jij
he
hij
she
zij
it
het
we
wij/we
you (plural)
jullie
they
zij
food
het eten
daughter
de dochter
son
de zoon
bread
het brood
home
het huis
with
met
to
naar
books
boeken
a star
een ster
in
op
new
nieuwe
radio
de radio
car
de auto
newspaper
de krant
are called
heten
year
het jaar
my
mijn
is
is
name
de naam
first name
voornaam
surname
achternaam
born
geboren
in
in
live
wonen
have
hebben
this is
dit is
I am
Ik ben
come
komen
from
uit
a/an
een