Dutch course words - Chapter X Flashcards
nose
de neus
eye
het oog
tooth
de tand
elbow
de elleboog
chin
de kin
toe
de teen
face
het gezicht
neck
de hals
doctor
de dokter
to operate
opereren
shot (injekció or szuri)
de prik
blind
blind
flat tire
de lekke band
beach
het strand
to stay
blijven
next
volgende
at home
thuis
general practicioner
de huisarts
leaflet
de bijsluiter
side effects
bijwerkingen
recipe
het recept
dosage
dosering
emergency
het noodgeval
salve (ilyen nyugtatóbalzsam féle)
de zalf
plaster
het gips
heart
het hart
flowers
de bloemen
antibiotic
de antibiotica
accident (as in “szerencsétlenség”)
het ongeluk
tea
de thee
lip
de lip
ankle
de enkel
thigh
de dij
back (body part)
de rug
shoulder
de schouder
handsome
knap
pain
de pijn
hospital
de ziekenhuis
to visit
bezoeken
deaf
doof
limp
mank
to shine
schijnen
skiing
skiën
gone
weg
previous
vorige
out
uit
complaints
klachten
pharmacy
de apotheek
better
beter
pregnant
zwanger
patient (noun)
de patiënt
specialist
de specialist
potion
het drankje
thermometer
de thermometer
throw up
overgeven/opgooien
painkiller
de pijnstiller
chronic
chronisch
infusion
het infuus