Dutch course words - Chapter IV Flashcards
day
de dag
to fall / to drop
vallen
butcher
de slager
city
de stad
big
groot
many/much
veel
expensive
duur
or
of
poor
arm
teacher
de docent
green
groen/groene
plate
het bord
fork
de vork
pan
de pan
pepper
de peper
to do
doen
break
breken
an arm
een arm
the
de/het
television
de televisie
work/job
het werk
coffee
de koffie
birthday/someone who has birthday
verjaardag/jarig
to know
weten
to help
helpen
to hit
slaan
very
erg
almost
bijna
always
altijd
cauliflower
de bloemkool
leave
laten
greengrocer
de groenteman
meat
het vlees
country
het land
little
klein
little/few (kevés)
weinig
cheap
goedkoop
rich
rijk
nice
leuk
yellow
geel/gele
blue
blauw/blauwe
knife
het mes
spoon
de lepel
to fry
bakken
salt
zout
shall/will
zullen
a leg
een been
a/an
een
sweet
zoet
to bring
brengen
sugar
de suiker
may (as in “I may…”)
mogen
holiday
de vakantie
kitchen
de keuken
full
vol
everything
alles
empty
leeg
tomatoes
tomaten