AOP 2 Flashcards
Persoonlijkheid
Hoe een individu reageert op en interacteert met anderen, om iemand te classificeren en te beschrijven
Persoonlijkheid wordt bepaald door
Nature (geboorte) –> erfelijkheidsbenadering
Nurture (interactie met omgeving) –> omgevingsbenadering
De persoonlijkheidsmodellen zijn
De typologie van Ernst Kretschmer (lichaamsbouw en persoonlijkheid)
Myers Briggs Type indicator (obv 4 eigenschappen)
Big Five model: OCEAN
Bij de typologie van Ernst Kretschmer hoort
Lichaamsbouw is gekoppeld aan persoonlijkheid
!! Picnisch (eivormig) heeft een vrolijk en extravert karakter
Bij de Myers Briggs Type Indicator wordt geclassificeerd op basis van
Extravert - Introvert (energie halen uit met anderen of alleen zijn)
Sensing - Intuitive (focus op feiten of onbewuste processen)
Thinking - Feeling (logisch redeneren of afgaan op emotie)
Judging - Perceiving (touwtjes in handen of flexibel en spontaan)
Het Big Five model bestaat uit
Openness to experience (fascinatie voor nieuwe dingen)
Concentiousness (betrouwbaarheid)
Extraversion (gericht op anderen, energie uit contact)
Agreeableness (vriendelijkheid, vertrouwen in anderen)
Neuroticism (weerbaarheid tegen stress)
Andere kenmerken die gedrag beinvloeden zijn
Zelfbeeld
Risicogeneigdheid
Gerichtheid op anderen
Interne/externe locus of control (lot in eigen handen)
Waarden
Stelsel van overtuigingen en ideeën over wat goed en wenselijk is
Eindwaarden
Doelen die iemand in de loop van zijn leven zou willen bereiken
Instrumentele waarden
Gedragsvormen/methoden hoe men eindwaarden wil bereiken
Perceptie
Proces waarin individu zintuigelijke indrukken ordent en interpreteert om zin te geven aan zijn omgeving
Factoren die Perceptie beinvloeden
De waarnemer
Het object
De context
Attributietheorie
Bij het observeren van gedrag proberen te bepalen of er interne of externe oorzaken zijn
Bepalen van interne/externe factoren hangt af van
attributie
Kenmerkendheid: vaak voorkomend of uitzonderlijk
Consensus: of iedereen hetzelfde gedrag vertoont
Consistentie: hoevaak het gedrag terug komt
Mogelijke fouten bij de attributietheorie
Fundamentele attibutiefout: invloed extern onderschatten en intern overschatten
Vertekening (uit eigenbelang)
Veelgebruikte beslisregels bij attibutietheorie
Selectieve perceptie (zien wat je wilt zien) Halo effect (positief beeld door 1 eigenschap) Horn effect (negatief beeld door 1 eigenschap) Contrasteffecten (vergelijken met anderen) Stereotyperen (oordeel obv groep)
Besluitvormingsprocessen
Rationele besluitvorming (volledig en onbevooroordeeld) Beperkt rationeel (vereenvoudigd) Intuitie (op basis van ervaring)
Menselijke gevoelens (affect) bestaan uit
Emotie (intense gevoelens voor iets of iemand)
Stemmingen (minder sterk, geen prikkels voor nodig)
De 6 basisemoties zijn
Woede Angst Verdriet Geluk Verbazing Walging
Emotionele arbeid
Emoties uiten die je niet voelt maar passen bij interactie die je met anderen hebt
EQ
Emotionele intelligentie
Emotionele intelligentie is het vermogen om
Bewust te zijn van eigen emoties
Emoties bij anderen te bespeuren
Goede te reageren op emotionele hints