wonen Flashcards
habiter ( à )
wonen (in)
l’habitation
de woning
le domicile
de woonplaats = het domicilie
le kot
het kot
kotter
op kot zijn / zitten
le co-koteur
de kotgenoot
l’habitant ( d’une maison )
de bewoner ( van een huis )
l’habitant / le résident ( d’un pays )
de inwoner ( van een land )
la villa
het landhuis ( villa’s)
la maison mitoyenne
het rijhuis
l’appartement
de flat = het appartement
le studio
de studio (studio’s)
le batiment
het gebouw
l’immeuble à appartement
het flatgebouw
l’étage
de verdieping
haut >< bas
hoog >< laag
déménager
verhuizen ( verhuisde ; is verhuisd )
le loyer
de huur ( prijs )
prendre en location >< mettre en location
huren>< verhuren
le locateur >< le bailleur
de huurder >< de verhuurder
le propriétaire
de eigenaar = de huisbaas
le contrat de bail
het huurcontract
signer
ondertekenen
mensuel , mensuellement
maandelijks
monter >< descendre l’escalier
de trap oplopen >< aflopen ( liep af , afgelopen )
le toit
het dak
étroit >< large
smal >< breed
faire la navette ( faire des aller-retour )
pendelen
le naveteur
de pendelaar
les transports en commun
het openbaar vervoer ( altijd enkelvoud)
sûr ; sécurisé >< dangereux
veilig >< gevaarlijk