kennismaken met ( nlds voor rechten ) Flashcards
1
Q
faire la connaissance de
A
kennismaken met
2
Q
s’appeler
A
heten
3
Q
enchanté
A
aangenaam
4
Q
saluer
A
iemand groeten
5
Q
serrer la main ( à qql )
A
( iemand ) de hand schudden
6
Q
se présenter
A
zich voorstellen
7
Q
D’où viens-tu
A
waar kom je vandaan
8
Q
marié >< pas marié
A
getrouwd / gehuwd >< ongetrouwd / ongehuwd
9
Q
divorcé
A
gescheiden
10
Q
le célibataire
A
de vrijgezel
11
Q
rencontrer
A
ontmoeten
11
Q
dire au revoir
A
afscheid nemen van iemand