Week 8 Flashcards

1
Q

wat zijn de grootste problemen waardoor neonatalen sterven of op de NICU belanden?

A
  • te kleine kinderen
  • lage Apgar score
  • ernstige aangeboren afwijkingen
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

welke effecten heeft vroeggeboorte?

A
  • nog niet helemaal aangelegde hippocampus –> minder onthoudend en verwerkend vermogen
  • metabool syndroom
  • hartproblemen
  • slechte ontwikkeling van de longen
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

wat zijn de gevolgen en behandeling van een slechte ontwikkeling van de longen bij prematuren?

A
  • te weinig alveoli (sacculair ipv alveolair stadium)
  • rechter hartdeel moet tegen een grotere weerstand in pompen
  • behandeling –> corticosteroïden geven moeder (lange termijn wel BPD)
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

welke risicofactoren zijn geassocieerd met prematuriteit?

A
  • infectie
  • vasculaire aandoeningen
  • deciduele veroudering
  • maternale stress
  • overdistensie van de baarmoeder
  • verminderde progesteron actie
  • cervicale aandoeningen
  • afbraak van moeder-foetale tolerantie
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

wat waren de effecten van covid-19 op prematuriteit?

A

minder vroeggeboorten. mogelijke oorzaken zijn:
- minder mensen naar de dokter (iatrogene vroeggeboorten)
- meer intra-uterien overlijden (was niet zo)
- verbeterde hygiëne en daardoor minder vroeggeboorte

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

welk effect heeft vroeggeboorte op de moeder?

A

het risico op cerebrovasculaire events wordt groter

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

op welke manier gaan de fasen van postnataliteit bij prematuren gepaard met ziekten?

A

begin –> veel sterfte door immaturiteit

later –> veel sterfte door bronchopulmonale dysplasie (BPD)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

wat is een grote risicofactor op de gezondheid na prematuriteit?

A

roken

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

waarvan is de intra-uteriene groei afhankelijk?

A

maternale factoren:
- sociaaleconomisch
- gezondheid

foetale factoren

functie van placenta

insuline achtige groeifactor I en II
(beïnvloed door voeding en insuline)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

wanneer groeit een kind het snelst en wat speelt hier de grootste rol in?

A

in het 1e levensjaar: van 50 naar 75 cm
–> voeding

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

wat is de groeispurt?

A

groei in puberteit door geslachtshormonen
–> voor meiden vrij vroeg: 20-25 cm
–> voor jongens later: 25-30 cm

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

hoe ziet de fysiologie van de groei er uit?

A

proliferatie en hypertrofie van kraakbeencellen + uitscheiding ECM door uitgerijpte kraakbeencellen –> endochondrale ossificatie –> lengtegroei

beïnvloedt door:
- hormonen
- genen
- voeding
- chronische ziekte
- medicatie

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

wat is de definitie van abnormale groei?

A

< of > 2 SD’s voor:
- leeftijd
- geslacht
- puberteitsstadium

uitgaande van de referentiepopulatie

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

hoe wordt de target-height berekend?

A
  • gemeten lengte van biologische ouders
  • minder betrouwbaar bij >20 cm verschil tussen ouders
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

wanneer is er een verhoogde kans op pathologie als we kijken naar groei?

A
  • groei afbuiging of versnelling
  • te kleine of te grote lengte
  • groot verschil met streeflengte
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

welke groepen groeistoornissen onderscheiden we?

A

primair
- verstoorde regulatie groeischijf
- mutaties in genen met rol in cellulaire processen, paracriene signalen of ECM
- SGA geboorte zonder inhaalgroei

secundair
- invloed van buiten op groeischijf
- endocriene stoornissen, chronische ziekte, onder-/overvoeding

idiopathisch
- familiair/niet-familiair
- langzame of snelle groei van onbekende origine

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
17
Q

hoe onderscheiden we primaire groeistoornissen die gepaard gaan met een te kleine lengte?

A

zonder/milde dysmorfe kenmerken:
- monogenetische afwijkingen
- vaak gepaard met disproportie

met dysmorfe kenmerken/syndromaal:
- chromosoomafwijkingen
- epigenetische afwijkingen (genmutaties, methyleringsdefecten, uniparentale disomie)

vroege afbuiging met stabiele lengtegroei tot aan puberteit

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
18
Q

wat zijn kenmerken van het Silver-Russelsyndroom in relatie tot groei?

A
  • SGA bij geboorte
  • relatieve macrocefalie met frontal bossing
  • voedingsproblemen en/of lage BMI
  • postnataal slechte groei en lichaamsasymmetrie
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
19
Q

wat zijn secundaire groeistoornissen die gepaard gaan met een te kleine lengte?

A

endocriene stoornissen:
- geïsoleerde of multipele hormoonuitval
- overmaat aan cortisol

chronische ziekte in orgaansystemen:
- hartafwijkingen
- nierziekten
- darmziekten

iatrogeen:
- glucocorticoïden
- bestraling

emotionele deprivatie

malnutritie

aanvankelijke normale groei gevolgd door afbuiging

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
20
Q

wat zijn de kenmerken van groeihormoon?

A
  • essentieel voor lengtegroei, botdichtheid, een goede spier-vet balans en cardiovasculaire gezondheid
  • werking kan mis gaan op hypofyse, lever (hoog GH, laag IGF-1/IGFBP-3) of receptor niveau
  • kenmerkend voor tekort: kleine lengte met progressieve afbuiging na 1e 6-12 maanden, vertraagde botrijping (dus achterlopende skeletleeftijd + verminderde botdichtheid), meer vet/minder spier
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
21
Q

wat is de relatie van schildklierhormoon tot groei?

A
  • essentieel voor hersengroei, stofwisseling en lengtegroei
  • hypothyreoïdie: te weinig lengte groei (oplossen door TSH suppletie)
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
22
Q

wat is de relatie van cortisol tot groei?

A
  • te veel cortisol –> afbuigende lengtecurve met gewichtstoename tot obesitas, emotionele/gedragsproblemen, moeheid, spierzwakte
  • door overproductie: ACTH producerende tumor in hypofyse (ziekte van Cushing), cortisol producerende tumor in bijnier (Cushing syndroom) of iatrogeen
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
23
Q

wat is de relatie van chronische ziekte tot groei?

A

groeiremming door combinatie van:
- chronische inflammatie met cytokinenproductie
- ondervoeding
- gestoorde balans intake en verbruik
- gestoorde opname van voedingsstoffen
- hypercortisolisme

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
24
Q

waar letten we op bij een te kleine lengte in de anamnese?

A
  • medische VG
  • medicatie
  • ontwikkeling
  • psychosociale anamnese
  • uitgebreide tractusanamnese
  • voedingsanamnese
  • familieanamnese
  • reconstructie lengte- en gewichtscurve + geboortegewicht/lengte/SO
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
25
Q

waar letten we op bij een te kleine lengte in het lichamelijk onderzoek?

A
  • lengte, gewicht, hoofdomtrek, tensie
  • zithoogte, spanwijdte
  • lengte ouders (meten)
  • dysmorfe kenmerken
  • algemeen intern LO
  • puberteitsstadium (incl testisvolume)
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
26
Q

waar letten we op bij een te kleine lengte in het aanvullend onderzoek (lab)

A

alle kinderen:
- anemie, infecties
- nieraandoeningen, malabsorptie, calcium- en fosfaatmetabolisme
- coeliakie
- hypothyreoïdie
- groeihormoondeficiëntie (IGF-1)

kinderen <3:
- renale tubulaire acidose
- groeihormoondeficiëntie (IGFBP-3)

meisjes lengte <2 SD/>1,6 SD onder TH:
- SNP array/karyogram naar turner

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
27
Q

wat doen we voor testen bij een verdenking op een stoornis in de GH-IGF as?

A

GH stimulatietesten:
- clonidine en/of arginine
- beide testen op 1 dag
- priming bij meisjes >8/jongens >9

uitkomst = combinatie IGH-1 waarde en oploop GH

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
28
Q

wat doen we aan genetisch onderzoek bij een te kleine lengte?

A
  • SNP array/karyogram bij meisjes
  • NGS genpanel analyse op 19 groeigerelateerde genen
  • uitgebreide NGS panels voor groeistoornissen (inc. skeletdysplasie)
  • methyleringsonderzoek en (trio) WES en WGS voor ontwikkelingsproblemen/dysmorfe kenmerken
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
29
Q

wat zijn differentiaal diagnostische overwegingen bij overmatige groei?

A
  • consitutioneel snelle rijping: hoognormale eindlengte, zelfde groeipatroon als een/beide ouders, fysiologische variant, expectatief beleid
  • obesitas geïnduceerde rijping: uiteindelijk normale eindlengte
  • polygeen familiaire grote lengte: meest voorkomende vorm, een/beide ouders lang en gezond, geen geassocieerde pathologie
  • monogenetische grote lengte: heterogene groep van overgroeisyndromen
  • hormonale overproductie: vroegtijdige puberteitskenmerken of hyperthyreoïdie
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
30
Q

waar let je op bij een te grote lengte in de anamnese?

A
  • geboortegewicht, lengte, schedelomtrek
  • groeicurve: geleidelijke toename of duidelijke knik/versnelling
  • bijkomende ontwikkelings- of gedragsproblematiek
  • visusproblemen
  • vroegtijdige puberteitskenmerken
  • familieanamnese: eindlengte, puberteit en groeipatroon ouders, oculaire/cardiovasculaire klachten en ziektes op jongvolwassen leeftijd
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
31
Q

waar let je op bij een te grote lengte in het lichamelijk onderzoek?

A
  • lengte, gewicht, SO, zithoogte, spanwijdte
  • ontwikkelingsniveau en gedrag
  • dysmorfieën
  • tanner stadiëring, gynaecomastie
  • marfanoïde kenmerken (Beighton score)
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
32
Q

waar let je op bij te grote lengte in het aanvullend onderzoek?

A
  • X-hand (vrijwel alle verwezen kinderen)
  • screenend lab op indicatie
  • genetisch onderzoek op indicatie
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
33
Q

wat zijn oorzaken van perinatale sterfte?

A
  • prematuriteit
  • dysmaturiteit (IUGR/SGA)
  • aangeboren afwijkingen
  • placenta afwijkingen
  • infecties
  • lage Apgar score
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
34
Q

waar bevindt de pathologie bij perinatale problemen zich allemaal?

A

perinatale audit

post mortem:
- onderzoek placenta
- obductie foetus/neonaat

ad vitam:
- onderzoek van elk weefsel dat noodzakelijk wordt geacht door de behandelend arts

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
35
Q

wat kan placentapathologie vertellen?

A
  • te laag gewicht/insufficiëntie
  • terminale villus deficiëntie
  • pre-eclampsie
  • solutio placentae (te vroeg loslaten)
  • intra-uteriene infecties
  • chronische histiocytaire intervillositis
  • navelstrengproblemen
36
Q

waar bestaat de normale placenta uit?

A
  • intervilleuze ruimte (moeder)
  • chorionvlok (foetus)
  • trofoblast
  • vasculosyncitiële membraan (celmembraneen endotheel/trofoblast)
  • fibrine
37
Q

wat zijn compensatiemechanismen van de placenta?

A
  • versnelde rijping
  • hypermature villi
  • verhoogde aanmaak erythroblasten
38
Q

wat zijn de kenmerken van een chorio-amnionitis?

A
  • infectie van placenta, die opstijgt naar de vliezen
  • funisitis –> betrokkenheid navelstreng.
  • bacteriën stijgen op vanuit geboortekanaal –> placenta –> amnionvocht
  • kan leiden tot premature geboorte of vroege ruptuur van membranen (PROM)
  • PROM kan ook leiden tot een opstijgende infectie (tweerichtingsverkeer)
  • bij TORCH transplacentaire hematogene overdracht van bacteriën
39
Q

wat is een chronische histiocytaire intervillositis?

A
  • histiocytaire ontsteking tussen vlokken met aantasting
  • onbekende pathogenese, waarschijnlijk maternopaternale immuunrespons
  • hoog herhalingsrisico (>80%)
  • hoge kans ongunstige zwangerschapsuitkomst (IUGR/IUVD)
  • belangrijke overweging bij recidiverende miskramen
  • macrofagen en fibrinen in intervilleuze ruimte –> vlokken die in de buurt zitten doen niet meer mee met uitwisseling
40
Q

wat zijn problemen die geassocieerd zijn met prematuriteit?

A
  • hyaliene membranenziekte (respiratoir distress syndroom)
  • bronchopulmonale dysplasie
  • necrotiserende enterocolitis
  • retinopathie van de prematuriteit
  • germinale matrix en intraventriculaire hersenbloedingen
41
Q

wat zijn de kenmerken van respiratoir distress syndroom?

A
  • meest voorkomende oorzaak van respiratoire insufficiëntie bij pasgeborenen
  • 60% van prematuren <28 weken
  • predisponerende factoren –> sectio caesarea, maternale diabetes, mannelijk, gemelli
  • gebrek aan surfactant
  • preventie –> prenataal corticosteroïden/postnataal surfactant inhalatie
  • histopathologisch –> eosinofiele hyaliene membranen in alveoli
  • complicaties –> BPD, retinopathie van prematuriteit
42
Q

wat zijn de kenmerken van bronchopulmonale dysplasie (BPD)?

A
  • klinische diangose
  • lange termijn effect van hyaliene membraanziekte –> kind heeft nog steeds O2 behoefte
  • vermindering aantal alveoli
  • relatief onrijp beeld van longparenchym
  • grote simpele alveolaire structuren
43
Q

wat zijn de kenmerken van necrotiserende enterocolitis?

A
  • aandoening van terminale ileum, coecum en colon ascendens
  • pathogenese: darmischemie, bacteriële kolonisatie en enterale voeding
  • beeld: necrose, ulceratie en pneumastosis intestinalis, leidend tot perforatie, peritonitis en sepsis
  • behandeling: conservatief, maar resectie bij 20-60%
  • 10-25% mortaliteit
  • preventie door moedermelk ipv poedermelk
44
Q

wat zijn de kenmerken van sudden infant death syndroom?

A
  • 1 week > kind > 1 jaar
  • oorzaak onopgehelderd na grondig onderzoek: complete obductie, analyse plaats van overlijden en review klinische geschiedenis
  • frequentie gedaald door back to sleep campagne (nu 10-15x per jaar)
  • omgevingsfactoren: buikslapen, co-sleeping, hyperthermie, slapen op zacht oppervlak
  • risicofactoren: jonge maternale leeftijd, roken- en drugsgebruik beide ouders, weinig/geen perinatale zorg, lage socioeconomische status, kort op elkaar geboren kinderen
  • risicofactoren kind: (ex-)prematuren, mannelijk geslacht, meerlingen, SIDS bij broertje/zusje, voorafgaande respiratoire infecties, hersenstamafwijkingen
  • oorzaak bij postmortaal onderzoek –> SUDI (50% infecties, vaak niet-specifieke veranderingen als petechiën (80%) en longoedeem)
45
Q

wat zijn de belangrijkste congenitale infecties?

A

TORCHES:
-Toxoplasmose
- Other (HIV, parvovirus B19)
- Rubella
- CMV
- HSV
- Syfilis

46
Q

wat zijn de kenmerken voor congenitale infecties?

A
  • dysmaturiteit
  • microcephalie
  • hepatosplenomegalie
  • icterus
  • anemie/trombocytopenie
47
Q

wat zijn de kenmerken van CMV?

A
  • 90% asymptomatisch
  • symptomen: prematuriteit, SGA, hepatosplenomegalie, petechiën/purpura, icterus, neurologische afwijkingen (microcephalie, hypotonie, convulsies, periventriculaire afwijkingen)
  • lab: trombocytopenie, geconjugeerde hyperbilirubinemie, verhoogde transaminase
  • diagnostiek: positieve PCR CMV in urine < 21 dagen leeftijd
  • behandeling: ganciclovir bij chorioenteritis of pneumonie
  • 90% symptomatische groep heeft restverschijnselen, 10% asymptomatische groep: slechthorendheid/doofheid
48
Q

wat zijn de kenmerken van HSV?

A
  • HSV meestal asymptomatisch bij adolescenten/volwassenen, maar bij baring kan het alsnog doorgegeven worden
  • kinderen worden het ziekst als moeder geen antistoffen heeft
  • transmissie: primaire infectie 50%, primaire infectie na HSV-1 30% en bij herhaalde infectie 2%
  • diagnostiek: vroeger met Tzank-test huidlaesie (pos: multinucleaire reuscellen met intranucleaire insluitsels), tegenwoordig PCR oropharynx
  • behandeling: acyclovir
49
Q

welke 3 uitingsvormen van HSV zijn er bij neonaten?

A

gedissemineerd:
- 1e levensweek
- manifestaties: 77% huid, 69% hersen, 46% long
- 60% mortaliteit
- 44% morbiditeit

CNS:
- 2e-3e levensweek
- manifestaties: 63% huid, 100% hersen, 4% long
- 14% mortaliteit
- 56% morbiditeit

Skin-eye-mouth syndroom:
- 2e levensweek
- manifestaties: 84% huid, 3% long
- 0% mortaliteit
- 11% morbiditeit

50
Q

wat zijn de kenmerken van sepsis/meningitis bij pasgeborenen?

A

verwekkers: ß-hemolytische streptokok groep B (GBS), E. coli of listeria monocytogenes

klinische beeld:
- kreunen
- slechte perifere circulatie/grauw
- temperatuurinstabiliteit
- apnoe/bradycardie
- convulsies
- weinig/niet actief

51
Q

wat zijn de kenmerken van GBS?

A
  • 20% van vrouwen gekoloniseerd –> kans 1/3 kolonisatie kind na geboorte –> 3% ziek
  • meningitis bepaalt prognose
  • X-thorax –> IRDS beeld
  • risicofactoren: vroeggeboorte, PROM, tekenen infectie moeder (sepsis), zware maternale kolonisatie (UWI), vrouwen met eerder kind met GBS
  • preventie –> maternale profylaxe
  • 5-10% mortaliteit, 50% morbiditeit (15-20% ernstig, 11% hydrocefalus, 13% epilepsie)
52
Q

welke klinische manifestaties van GBS onderscheiden we?

A

early onset:
- 75%
- dag 0-6 –> 90% eerste levensdag
- verticale transmissie
- kreunen, apnoe, pneumonie, shock, sepsis, meningitis (25%)

late onset:
- 25%
- 7 dagen - 3 maanden (meestal 3-4 weken pp)
- verticale en horizontale transmissie
- sepsis, meningitis (75%)

53
Q

wat zijn voordelen van moedermelk?

A
  • betere bescherming maagdarminfecties (-50%), middenoorontstekingen (-50%) en luchtweginfecties (-33) door immunologische factoren
  • minder SIDS bij borst gevoede kinderen (OR 0.55)
  • verminderd risico obesitas, metabool syndroom en cardiovasculaire problematiek
  • overig: betere hersenontwikkeling, minder eczeem, natuurlijke band moeder-kind, maatschappelijk effect (kosteneffectief)
54
Q

wat voor immunologische functies heeft moedermelk?

A
  • zowel aspecfieke als specifieke afweermeganismen (sIgA)
  • gunstig profiel microbiota en meer diversiteit (microbioom)
  • sIgA suppletie bij immunologische dip in 1e jaar
55
Q

wat is het DOHaD effect van andere soort melk dan moedermelk?

A

het drinken van melk die niet voor jouw diersoort gemaakt is geeft een effect op jouw gezondheid

56
Q

hoe geven we borstvoeding bij premature baby’s en wat zijn de voordelen?

A
  • kolven (in begeleiding) –> moedermelk via sonde naar baby
  • uiteindelijk het liefste aan de borst
  • minder infecties, sneller volledige enterale voeding, minder necrotiserende enterocolitis, minder heropnames na ontslag en betere hersenontwikkeling
57
Q

wat is de compositie van moedermelk?

A
  • macro- en micronutriënten, immunologische componenten, groeifactoren, hormonen en enzymen
  • compositie varieert met behoefte van kind
  • eerste dagen –> colostrum (veel eiwit en extreem rijk aan Ig en andere immunologische stoffen)
  • suppletie vitamine K en D, en extra eiwit, calcium en fosfaat bij prematuren voor groei en rachitis preventie
58
Q

wat wordt er het liefst gegeven aan prematuren als borstvoeding niet gaat?

A

donormelk voor voorkoming NEC

59
Q

hoe werkt het lactatieproces?

A

3 stappen:
1. melkklieren –> actief en passief transport van stoffen naar melk
2. opslag in alveoli
3. uitstroom via melkgangen

  • prolactine –> uit hypofyse voorkwab door prikkeling tepel –> toename melkproductie
  • oxytocine –> uit hypofyse achterkwab bij zien/horen/voelen kind –> toeschietreflex en bindingsgevoel
60
Q

wat zijn complicaties van borstvoeding?

A

sociaal:
- na 3 maanden moeilijk te combineren met werk
- soms schaamte of ongemak

maternaal:
- tepelkloven
- verstopping
- mastitis/abcedering

kind:
- stille ondervoeding –> vicieuze cirkel met te weinig moedermelk en te weinig drinkkracht

61
Q

wat zijn contra-indicaties voor het geven van borstvoeding?

A

infectieus:
- borstlaesies –> TBC, varicella, HSV
- HTLV, hemorragische koortsen
- HIV met viral load

medicamenteus:
- enkele psychofarmaca en antidepressiva
- chemotherapeutica
- harddrugs en methadon >20 mg/dag
- overmatig alcoholgebruik

62
Q

wat zijn kenmerken van farmacokinetiek en farmacodynamiek?

A

farmacokinetiek:
- absorptie
- distributie
- metabolisme
- eliminatie

farmacodynamiek:
- concentratie-effect
- bijwerkingen

63
Q

waarin zitten essentiële verschillen in het geneesmiddelmetabolisme van volwassenen en kinderen?

A
  • absorptie
  • distributie
  • metabolisme
  • uitscheiding
  • genetische verschillen
  • invloed van ziekte
64
Q

wat zijn de verschillen in absorptie bij volwassenen en kinderen?

A

bepaald door pKa, oplossing waar geneesmiddel in zit en disintegratie/dissolutie van vaste vorm

veranderingen in neonatalen/vroege kinderen:
- zuurgraad: pH maag is hoger, dus zuur-labiel hogere opname, zwakke organische zuren lagere opname
- enzymactiviteit: lagere concentratie metaboliserende enzymen
- darm: vertraagde maag/darm passage, dus meer tijd om geneesmiddel op te nemen, pH buffer door frequente voeding en andere darmflora
- first pass uptake vertraagd

veel rectale toediening: geen first pass, maar incomplete/wisselende resorptie en verlies via feces

65
Q

wat zijn de verschillen in distributie bij volwassenen en kinderen?

A
  • huidoppervlak kind relatief groter, dus relatief meer opname tov lichaamsgewicht –> hogere spiegels
  • bij kinderen spiegel bij geneesmiddeldosering/kilo lager door groter verdelingsvolume (meer vocht in samenstelling)
  • eiwitbinding
66
Q

wat zijn de verschillen in metabolisme bij volwassenen en kinderen?

A

non-polaire, vet oplosbaar –> polair water oplosbaar 2 fasen:
- I –> oxidatie, reductie, hydrolyse
- II –> conjugatie tot polair substraat

dit gaat langzamer bij kinderen doordat ze in begin nogminder CYP3A hebben (grootste toename in eerste weken/maanden)

67
Q

wat zijn de verschillen in uitscheiding bij volwassenen en kinderen?

A

nierfunctie neemt snel toe (duurt 1 jaar)

tubulaire nierfunctie loopt achter (duurt 2 jaar)

68
Q

wat zijn dingen waar rekening mee moet worden gehouden in de farmacokinetiek van kinderen?

A
  • ziekte
  • polymorfisme
  • comedicatie
  • ontogenie
69
Q

wat zijn voorbeelden van farmacodynamiek verschillen tussen kinderen en volwassenen?

A
  • extrapiramidale verschijnselen bij metoclopramide (en antipsychotica)
  • (sederende) antihistaminica –> verhoogde kans SIDS
  • tetracyclines –> verkleuring tandmatrix
  • ciprofloxacine –> gewrichtsschade
70
Q

hoe moet je bij farmacodynamiek bij kinderen in de praktijk handelen?

A

diagnose –> indicatie voor farmacotherapie –> keuze geneesmiddel –> juiste kinderdosering –> juiste toedieningsvorm

71
Q

wat zijn aandachtspunten die komen kijken bij toedieningsvormen van medicatie?

A

hulpstoffen:
- conserveringsmiddelen
- oplosmiddelen
- kleurstoffen
- stabilisatoren
- smaakstoffen
- antioxidantia
- geurstoffen

smakelijkheid (palatability):
- smaak (zuur/zout/bitter/zoet/umami)
- nasmaak
- geur
- textuur

beschikbaarheid

72
Q

op welke vlakken zijn er verschillen tussen kinderen en volwassenen?

A
  • anatomische verschillen
  • fysiologische versschillen
  • ontwikkeling (continue verandering)
  • groei
73
Q

welke cardiovasculaire veranderingen maakt een mens mee?

A
  • sluiten ductus arteriosus
  • sluiten foramen ovale
  • sluiten ductus venosus
  • verandering in cardiale spierfunctie, AF en HF
74
Q

welke respiratoire veschillen zitten er tussen volwassenen en kinderen?

A
  • neusademhaling en grote tong
  • diameter luchtwegen kleiner –> grotere weerstand bij klein beetje oedeem
  • bronchus wand structuur (meer kraakbeen, premature cilia, minder glad spierweefsel) –> meer occlusie/collaps, minder sputum mobilisatie
  • lucht/weefsel oppervlakte (minder alveoli, kleinere luchtwegen) –> kleiner oppervlakte voor gaswisseling, verhoogd risico atelectase
  • ribben (meer kraakbeen, horizontale positie) –> verhoogde compliantie, volledig afhankelijk van diafragma bij ademhaling
  • diafragma (horizontale positie, minder type 1 vezels) –> meer uitputting
75
Q

welke fysiologische verschillen zitten er tussen volwassenen en kinderen?

A
  • meer zuurstofverbruik
  • meer waterverbruik
  • meer calorieverbruik
  • groter oppervlakte in vergelijking tot grootte
76
Q

wat is het verschil in vitale parameters van volwassenen en kinderen?

A

Ademfrequentie en hartfrequentie hoger, want minder effectieve ademhaling en hoger metabolisme

77
Q

waarvan is de ontwikkeling van een kind afhankelijk?

A
  • genetische factoren
  • geboorte conditie (evt. met erfelijke component)
  • biologische factoren
  • omgevingsfactoren
78
Q

welke aspecten zijn belangrijk om mee te nemen in het stellen van een DD bij kinderen?

A
  • leeftijdsspecifieke a-priori kans
  • (familie)anamnese is belangrijk (ook zwangerschapsanamnese)
79
Q

wat zijn de verschillen in communicatie en interactie tussen volwassenen en kinderen?

A
  • anamnese gericht op groei en ontwikkeling
  • anamnese –> beïnvloedende factoren
  • sterk leeftijdsafhankelijk –> unieke eisen per leeftijdscatgorie
  • familie/ouders
  • non-verbale communicatie
  • lichamelijk onderzoek
80
Q

wat zijn oorzaken voor bloedverlies tijdens de zwangerschap?

A

voor 16 weken:
- fysiologisch bloedverlies
- dreigende miskraam (50%)
- molazwangerschap of EUG (minder waarschijnlijk)

3e trimester:
- dreigende vroeggeboorte
- abruptio (solutio) placentae
- placenta praevia

81
Q

wat zijn aanwijzingen voor een EUG?

A
  • vaginaal bloedverlies
  • buikpijn heviger en/of anders dan bij menstruatie
  • RF: tubapathologie, fertiliteitsbehandeling, PID, eerdere EUG
  • zwangerschap bij spiraal/sterilisatie
  • LO: pijn bij palpatie buik, peritoneale prikkeling, slingerpijn bij VT
  • positieve zwangerschapstest
82
Q

wat zijn de kenmerken van een molazwangerschap?

A
  • tumoreuze groei van placenta
  • 1/2000 zwangerschappen per jaar
  • echoscopische diagnose indien asymptomatisch
  • symptomen later in zwangerschap: vaginaal bloedverlies, hyperemesis gravidarum
83
Q

wat zijn de kenmerken van misselijkheid tijdens zwangerschap?

A

emesis gravidarum:
- 50% incidentie –> 90% verdwijnt na 4 maanden
- zelfzorgadviezen
- hyperemesis –> kans op dreigende dehydratie, gewichtsverlies of onvoldoende verbetering klachten ondanks behandeling anti-emetica
- bij hyperemesis verwijzing gynaecologie
- meclozine (12,5 mg ‘s avonds, tot max 2dd) of metoclopramide (max 3dd 10 mg)

84
Q

wat zijn symptomen bij pre-eclampsie/HELPP?

A
  • pijn in bovenbuik/tussen schouderbladen
  • hoofdpijn (progressief, pijnstilling helpt niet)
  • visusklachten
  • misselijkheid/braken
  • ziek/griepachtig gevoel (zonder koorts)
  • plotseling vocht vasthouden in gezicht/handen/voeten
85
Q

wat zijn de kenmerken van mastitis?

A
  • lokale, pijnlijke, (niet-/)infectieuze ontsteking door stase van melk
  • vaker bij tepelkloven of acuut begin
  • behandelen door stase tegen te gaan, warmtecompressen, pijnstilling, evt antibiotica
  • AB bij algemeen ziek zijn, koorts en tepelkloven, of als er geen verbetering is bij afwachtend beleid (flucloxacilline 4dd 500 mg)
  • stoppen borstvoeding –> abcedering
86
Q

wat zijn de 3 B’s waar aan gedacht moet worden bij koorts in het kraambed?

A
  • borst
  • buik
  • benen