T4 - En vacances en Europe Flashcards
de maand
le mois
de dag
le jour
het seizoen
la saison
in de zomer
de zomer
en été
l’été
in de herfst
de herfst
en automne
l’automne
in de winter
de winter
en hiver
l’hiver
in de lente
de lente
au printemps
le printemps
de zon
le soleil
de sneeuw
la neige
fantastisch
fantastique
favoriet
favori / préféré
de beste
le meilleur / la meilleure
gisteren
hier
vandaag
aujourd’hui
morgen
demain
op vakantie
en vacances
in Europa
en Europe
in (bij plaatsnamen)
à (bij plaatsnamen)
de berg
la montagne
de zee
la mer
voorkeur geven aan
préférer
gaan
aller
bezoeken
visiter
er is / er zijn
il y a
er is niet / er zijn niet/geen
il n’y a pas
januari
janvier
februari
février
maart
mars
april
avril
mei
mai
juni
juin
juli
juillet
augustus
août
september
septembre
oktober
octobre
november
novembre
december
décembre
ook
aussi
het noorden
le nord
het oosten
l’est
het zuiden
le sud
het westen
l’ouest
de stad
la ville
het dorp
le village
het strand
la plage
Het is mooi weer.
Il fait beau.
Het is slecht weer.
Il fait mauvais.
ik ga
je vais
jij gaat
tu vas
hij/zij/men gaat/gaan
il/elle/on va
wij gaan
nous allons
jullie gaan / u gaat
vous allez
zij gaan
ils/elles vont
Hoe zeg je dat je IN of NAAR een stad bent gegaan?
à
à Paris, à Amsterdam, à New York etc
Hoe zeg je dat je IN of NAAR een vrouwlijk land (eindigend op -e) bent gegaan?
en
en Espagne, en France, En Italie, en Suisse
Hoe zeg je dat je IN of NAAR een land (mannelijk) bent gegaan?
au
au Portugal, au Japon, au Danemark
Hoe zeg je dat je IN of NAAR een land (meervouds) bent gegaan?
aux
aux Etats-Unis, aux Pays-Bas