soorten kaarten Flashcards
kwantitatief generaliseren
bij deze vorm van generalisatie wordt het aantal kaartgegevens tot het meest essentiële verminderd. De minder belangrijke gegevens worden geschrapt. Het is als het ware een ziften van de oorspronkelijke kaartgegevens: de belangrijkste topografische elementen worden bewaard, details vallen door de mazen.
kwalitatief generaliseren
wanneer gelijkaardige elementen uitgedund moeten worden, moeten we het ziftingsprincipe prijsgeven, anders verdwijnen of blijven alle elementen ineens. Hier speelt niet meer het aantal, maar wel vorm of het patroon dat moet behouden worden. de cartograaf werkt in op de aard van de gegevens.
conceptuele generalisatie
gebruik van kleinere en minder talrijke symbolen
grafische generalisatie
(of structurele) dit wil zeggen een schematische voorstelling van de kaartelementen.
basiskaarten
worden ingedeeld naar schaal.
- kleine schaal: overzichtskaarten
- grote schaal: topografische kaarten, plattegronden en stadsplannen
thematische kaarten
worden ingedeeld naar thema of voorstellingswijze.
- thema: industriewaarden, landbouwkaarten…
- voorstellingswijze: isopletenkaart
chorochromatische kaart
kwalitatief verschijnsel
spreiding voorgesteld door een kleur, grenzen zijn hier niet administratief
choropletenkaart
kwantitatief verschijnsel
verspreiding van een verschijnsel - grenzen zijn administratief
vaak één kleur - van licht naar donker
discontinu, verschillende klassen
isopletenkaart
kwantitatief verschijnsel, lijnen die punten met gelijke waarden verbinden, continu
figuratieve kaart
symbool kan variëren in kleur en grootte
stippenkaart
kwantiteit voorgesteld als stippen
spreidingsbeeld duidelijk, hoeveelheid moeilijk te berekenen
administratieve grenzen zijn ter oriëntatie
cartogram
met diagrammen en/of grafieken wordt aard en kwantiteit weergegeven
bewegings- of fluxkaart
kwantitatief + bewegingsrichting (+ vaak omvang: dikte van een pijl) soms wordt ook de route aangegeven.
anamorfosekaart
ware oppervlakte van het administratieve gebied wordt vervangen door een grootte die het gebied heeft bij een bepaald verschijnsel
waterpassingsnet
bestaat uit referentiepunten, waarvan de hoogte boven de zeespiegel tot op enkele millimeters nauwkeurig gekend is.
TAW
= tweede algemene waterpassing
nulpeil = gemiddelde laagwaterstand in Oostende periode 1834 - 1853
hoogtelijnen
lijnen die plaatsen met dezelfde hoogte verbinden
equidistantie of hoogtelijneninterval
verschil in hoogte tussen lijnen
magnetische declinatie
de hoek tussen het magnetisch noorden (waar kompas naar wijst) en het geografisch noorden (noordpool)
GIS
= geografische informatiesystemen
in essentie is GIS dus het verzamelen en opslaan van allerlei data of informatie en anderzijds het digitaal uitlezen van die data in kaarten