Narcissus & Echo pp. 48-50 Flashcards
multus
-a, -um: veel
iuvenis
-is (m): jongeman
cupere
-io, -cupi(v)i, cupitum: verlangen
tam
bw.: zo
dirus
-a, -um: vreselijk
superbia
-ae: trots, hoogmoed
trepidus
a, um: angstig
agitare
o. (freq agere): hevig bewegen, opjagen
loqui
or, locutus sum: spreken
prior
prior, prius: eerder, vroeger
discere
o, didici, –: leren, leten kennen
adhuc
bw: tot nog toe; nog (altijd)
tamen
bw: toch, nochtans
usus
us: gebruik, nut
reddere
o, didi, ditum (re+dare): teruggeven
ubi+ind
vgw: toen, zodra
per
+ acc (vz): door(heen)
sequi
or, secutus sum: volgen
vestigium
i: voetstap, voetspoor
flamma
ae: voor
propior
-ior,-ius: dichterbij gelegen, naderbij
summus
a, um: hoogste, top van
rapere
io, rapui, raptum: snel grijpen; ontrukken
abiter
bw, van alius:: anders, op een andere manier