lijst 1+2 Flashcards
1
Q
das loch
A
het gat
2
Q
das opfer
A
het slachtoffer
3
Q
spalten
A
splijten
4
Q
spinnen
A
gek zijn
5
Q
stolpern
A
struikelen
6
Q
trennen
A
scheiden
7
Q
verhaften
A
arresteren
8
Q
vielversprechend
A
veelbelovend
9
Q
wirtschaftlich
A
economisch
10
Q
das werkzeug
A
het gereedschap
11
Q
die absicht
A
de bedoeling
12
Q
der angriff
A
de aanval
13
Q
sich mit auseinandersetzen
A
behandelen
14
Q
bilden
A
vormen
15
Q
der enkel
A
het kleinkind
16
Q
erzielen
A
behalen
17
Q
fraglich
A
twijfelachtig
18
Q
dat gesetz
A
de wet
19
Q
die heimat
A
het vaderland
20
Q
kämpfen
A
vechten
21
Q
der krieg
A
de oorlog
22
Q
der nachfahre
A
de afstammeling
23
Q
schildern
A
beschrijven
24
Q
der/das silverster
A
oudjaarsdag
25
Q
das tor
A
de poort
26
Q
trümmer
A
puin
27
Q
die wende
A
de ommekeer
28
Q
die art
A
de soort
29
Q
behaupten
A
beweren
30
Q
bewilligen
A
toekennen
31
Q
derzeit
A
momenteel