Lektion 1 & 2 H3 Flashcards
1
Q
benötigen
A
nodig hebben
2
Q
deshalb
A
daarom
3
Q
die Erkaltüng
A
de verkoudheid
4
Q
die Ernährung
A
de voeding
5
Q
die Kälte
A
de kou
6
Q
der Körper
A
het lichaam
7
Q
die Krankheit
A
de ziekte
8
Q
die Menge
A
de hoeveelheid, het aantal
9
Q
oben
A
boven
10
Q
Recht haben
A
gelijk hebben
11
Q
übersetzen
A
vertalen
12
Q
verzichten auf
A
afzien van
13
Q
zunächst
A
eerst
14
Q
bereits
A
al
15
Q
denn
A
want
16
Q
dennoch
A
toch, echter
17
Q
jedoch
A
echter
18
Q
obwohl
A
hoewel
19
Q
quer
A
dwars
20
Q
schwach
A
zwak
21
Q
sterben
A
overlijden, sterven
22
Q
der Termin
A
de afspraak
23
Q
verschieben
A
verschuiven, verzetten
24
Q
wunderbar
A
heerlijk
25
Q
zum Beispiel
A
bijvoorbeeld