Duits 4.4 Flashcards
1
Q
drinnen
A
binnen
2
Q
der Feind
A
de vijand
3
Q
das Geräusch
A
het geluid
4
Q
der Karton
A
de doos
5
Q
das Klo
A
de wc
6
Q
pennen
A
slapen
7
Q
schlau
A
slim
8
Q
sobald
A
zodra
9
Q
verhindern
A
vermijden, voorkomen
10
Q
wach
A
wakker
11
Q
die Wand
A
de muur
12
Q
das Zimmer
A
de kamer
13
Q
bequem
A
gemakkelijk, comfortabel
14
Q
die Ecke
A
de hoek
15
Q
einziehen
A
verhuizen naar, intrekken
16
Q
knapp
A
schaars, krap
17
Q
der Kunde
A
de klant
18
Q
das Mietshaus
A
het huurhuis
19
Q
praktisch
A
handig
20
Q
der Rabatt
A
de korting
21
Q
der Raum
A
het vertrek, de ruimte
22
Q
trotz
A
ondanks
23
Q
umziehen
A
verhuizen
24
Q
die Werbung
A
de reclame