intro tot training Flashcards

1
Q

degree of stress

A
  1. stressor = overload training stimulus
  2. verstoorde homeostase
  3. optimale stress
    - homeostase hersteld
    - vooruitgang door supercompensatie
  4. overbodige stress
    - geen herstel van homeostase
    - overtraining & over-reaching
    –> over-reaching valt nog te monitoren
    - overtraining ≈ chronisch vermoeidheidssyndroom
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

trainingsprincipes

A
  1. inductie van adaptatie
    - biologisch door overload & biologische adaptatie
    - fysiologisch door progressive built-up & optimale trainingsload
  2. behoud van adaptatie
    - biologisch door detraining & herstel
    - fysiologisch door duurzaamheid, wave-principle & variatie
  3. adaptatie in gerichte richting
    - biologisch door specificiteit & individualiteit
    - fysiologisch door optimale timing specitiek & long-term built-up
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

principes specifiek

A
  1. biologische adaptatie
    - declining return = verminderde meeropbrengst
    - fase 1 = snelle adaptatie <=> fase 2
    - zowel bij topathleten als patiënten
  2. hersel
    - fase 1 = zakking van fitheid door training
    - fase 2 = stijgen van fitheid door herstel
    - fase 3 = supercompensatie
    - fase 4 = verlies van supercompensatie door detraining
    - doel = training tijdens fase 2
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

methodologische principes van training

A
  1. optimale trainings load voor individu
    –> genoeg intensiteit geven maar niet te laag volume
  2. progressieve build-up van trainingsload
  3. wave principle = periodes met hogere & lagere intensiteiten
    –> ook lage volumes tijdens competitie periode
  4. duurzaamheid van ontwikkeling
  5. optimale timing van training (specifieke & niet-specifieke)
  6. long-term build-up
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

duurzaamheid van ontwikkeling

A
  1. enkel bereiken door consistent trainings programma
  2. snelle vooruitgang zal ook snel verloren gaan door onstabiele conditie
  3. verlies van adaptaties tijdens periodes van detraining
  4. snelheid van detraining is afh van tijd & hoeveelheid
  5. snelheid van retraining is afh van leeftijd, trainingsachtergrond & trainingstoestand
  6. als focus op 1 onderdeel moet focus op alle andere minstens onderhouden worden
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

een trainings opstellen

A
  1. classificatie van oefeningen
    - algemene oefeningen
    - specifieke oefeningen
    - competitie oefeningen
  2. trainingseigenschappen
    - intensiteit, volume & frequentie
    - intensiteit bepalen met RPE rate of perceived exertion
    - hogere intensiteiten nodig voor meer getrainde individuen
    - een basis moet opgebouwd worden = minimun volume
    - omgekeerd evenredig: groei ≈ traningstoestand
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

onderverdeling van maximale kracht

A

= maximale vrijwillige contractie

  1. snelkracht
    - explosieve kracht
    - startkracht
    - dynamisch realisatievermogen van spier
  2. elastische kracht
    - explosieve kracht
    - startkracht
    - reactief realisatie vermogen
  3. krachtuihouding
    - anaëroob alactisch
    - anaëroob lactisch
    - aëroob glycolystisch
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

specifieke effecten

A
  1. relatie maximale kracht & krachtuithouding
    - beginnen met training = beide trainen
    - maximale kracht blijft stijgen
    –> afvlakken van krachtuithouding & uiteindelijk ook daling
  2. trainingsvatbaarheid
    - gaus-curve over leeftijden
    - maximaal 20-30jaar
    - vrouwen altijd minder = minder testosteron
    - ongetraind = 60-80% VO2max
    - getraind = 70-90%
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

fysiologische factoren die maximale kracht beïnvloeden

A
  1. morfologisch
    - fysiologische dwarsdoorsnede
    - spiervezeltype verdeling
    - optimale beginlengte
  2. neuraal
    - intermusculaire coördiantie
    - intramusculaire coördinatie
  3. energetisch
    - anaërobe alactische stofwisseling
    –> maximale flux rate
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

basisprincipes van maximale krachttraining

A
  1. progressieve overload
    - graduele toename van belasting
    - belasting, herhalingen, snelheid, rustperiode, volume, excentrische/partiele herhalingen, …
    - klein toename in volume voor voorkomen van overtraining
  2. specificiteit
    - specifieke chronische aanpassingen
    - afh van type contractie, snelheid, ROM, spiergroepen, energiesystemen, intensiteit & volume
  3. variatie
    - kritisch bij toenemend prestatie niveau
    - 1 of meerdere programma variabelen
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

trainingsmethoden

A
  1. variabelen
    - contractie vorm: statisch/dynamisch & concentrisch/excentrisch
    - intensiteit = belastings- & uitvoeringsmodaliteit
    - volume = reps & sets + frequentie
    - densiteit = pauzes
    - praktijkvariabelen = hoeveelheid, variatie van oefeningen & volgorde
    - duur van totale training & trainingsperiode
  2. methoden
    - positief dynamisch
    - negatief dynamisch
    - isometrisch/statisc
    - isokinetisch
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

algemeen positief dynamische maximale krachttraining

A
  1. definitie
    - overwinnend concentrisch/verkortende & versnellende krachttraining
    - 1RM berekenen (direct of indirect)
    - bepalen van gewichten
    - evalueren van vooruitgang
  2. voordelen
    - specifiek beweginspatroon & uitvoeringsmodaliteit
    - coördinatie neuro-musculair
  3. nadelen
    - weerstand tijdens beweging variëert
    - maximale krachtontwikkeling tijdens minst gunstige hoekstand
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

algemeen types positief dynamisch

A
  1. basiskracht methode = submaximale krachtinzet
  2. hypertrofie methode = uitputtende submaximale krachtinzet
  3. intramusculaire coördinatie methode = explosieve krachtinzet
  4. pyramide methode = combinatie methode
  5. snelheid gecoördineerde methode = continue snellekracht inzet
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

basiskracht methode

A
  1. contractie vorm = concentrisch
  2. intensiteit = 50-70% 1RM
  3. aantal herhalingen = 10-20
  4. aantal reeksen = 3-4
  5. pauzeduur = 2-4
  6. modaliteit = vloeiend
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

hypertrofie methode

A
  1. contractie vorm = concentrisch, mogelijkheid van traag excentrisch
  2. intensiteit = 70-85% 1RM
  3. aantal herhalingen = 6-20
  4. aantal reeksen = 3-6
  5. pauzeduur = 1-2
  6. modaliteit = langzaam/vlot
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

intramusculaire coördinatie methode

A
  1. contractie vorm = concentrisch (excentrisch)
  2. intensiteit = 85-100%
  3. aantal herhalingen = 1-5
  4. aantal reeksen = 4-8
  5. pauzeduur = 2-4 = langer voor creatine herstel door maximale inzet
  6. modaliteit = vlot, explosieve kracht
17
Q

pyramide methode

A
  1. contractie vorm = concentrisch (excentrisch)
  2. intensiteit = 75 -80 - 85 - 90 - 95 - 100%
  3. aantal herhalingen = 10 - 8 - 6 - 4 - 2 - 1
  4. aantal reeksen = 6
  5. pauzeduur = 3-5 min
  6. modaliteit = langzaam tot vlot
18
Q

snelheid gecoördineerde methode

A
  1. contractie vorm = concentrisch
  2. intensiteit = 40-60% ARM
  3. aantal herhalingen = tot als snelheid niet meer voldoende is
    –> proberen binnen de 10-15 te blijven
  4. aantal reeksen = 3-4
  5. pauzeduur = 2-5 of meer
  6. modaliteit = zo snel mogelijk
19
Q

trainingseffecten deel 1

A
  1. hypertofie methode = bodybuild
    - toename van de dwarsdoorsnede
    - toename ATP, creatine & glycogeen intramusculair
    - verbering (a)lactische stofwisseling
  2. intramusculaire coördinatie methode = powerlift
    - toename prikkelingsfrequentie & actieve motorische eenheden
    - daling krachtdeficiet
    - toename relatieve kracht
    - toename krachtinzet & snelheid
20
Q

trainingseffecten deel 2

A
  1. pyramide methode
    - basis = hypertrofie methode
    - top = intramusculaire coördinatie
    - variatie = dubbel pyramide met afbouw
  2. snelheidgecoördineerde methode
    - hypertrofie type II-vezels = selectieve hypertrofie
    - toename krachtinzet
    - toename contractiesnelheid
    - verbetering (a)lactische stofwisseling
21
Q

volume & intensiteit hypertofie methode

A
  1. volume/intensiteit
    - te hoog volume = te lage intensiteit
    - te hoge intensiteit = te laag volume
    - optimale hypertrofie = 70-85% 1RM
  2. getraind vs niet-getraind
    - getraind = 80% 1RM & 3 keer per week
    - niet-getraind = 60% 1RM & 2 keer per week
22
Q

volgorde van oefeningen

A
  1. volgorde
    - grote spiergroepen eerst
    - multi-joint voor single-joint
    - hoog intensief voor laag intensief
    - zwakke oefeningen voor sterke oefeningen
  2. afwisseling
    - antagonist/agonist
    - boven/onder lichaam
23
Q

herstel van verschillende methodes

A
  1. herstel
    - 90-95% // 100%
    - hypertrofie: 18-24u // 48-72u
    - intramusculaire coördinatie: 18-24 // 72-84u
    - snelheid gecoördineerd: 24-36u // 72-84u
  2. waarneembaar effect
    - waarneembaar // optimaal
    - hypertrofie: 15-18TE // 40-48TE
    - intramusculair: 9-12 // 24-32
    - snelheid: … / 6-9
    - TE = trainingseenheden
24
Q

model periodes

A
  1. model 1
    - 1-9w = hypertrofie
    - 10-15w = intramusculaire methode
    - 16-18w = snelheid georiënteerd
  2. model 2
    - 1-5w = hypertofie
    - 6-9 = intramusculair
    - 9-12 = hypertrofie
    - 13-15 = intramusculair
    - 16-18 = snelheid georiënteerd
25
Q

negatieve dynamische krachttraining

A
  1. definitie
    - excentrische weerstand
    - supramaximale belasting
    - excentrisch = 40% sterker als isometrisch
    - isometrisch = 15% sterker als concentrisch
    - grotere krachtwinstend bij meer getrainden
  2. parameters
    - intensiteit = 120-130% 1RM
    - contractie duur van 6-8sec
    - 2-6 herhalingen
    - 4-6 min per reeks
    - 3-5 min pauze
    - 2-3 sessies per week
26
Q

isometrische/statische krachttraining

A
  1. voordelen
    - eenvoedige toepassing = geen apperatuur
    - snelle krachttoename
    - snelle toename dwarsdoorsnede
    - hoge efficiëntie door korte trainingen
    - doelgericht trainen
    - goed voor revalidatie
  2. nadelen
    - verdwijnen coördinatie systemen
    - negatieve invloed spierelasticiteit
    - snelle stangatie van krachttoename
    - krachttoename grootst in hoek van traingne
    - monotone training
27
Q

parameters isometrische & isokinetische krachtstraining

A
  1. isometrisch
    - intensiteit = maximaal
    - contractie duur van 6-8sec
    - 5-10 herhalingen
    - 1-2 min per reeks
    - 4-5 sessies per week
    - minimum 4 weken
  2. isokinetisch
    - intensiteit = maximaal
    - herhalingen = 10-15
    - 3-5 reeksen
    - 2-4 minuten
    - gemiddeld tot snelle beweing
    - 3-4 sessies per week
    - minimum 4 weken
28
Q

isokinetische krachttraining

A

= constante hoeksnelheid

  1. voordelen
    - over volledige ROM volledige krachtinzet
    - gelijkmatige versterking in volledige ROM
    - zwakke spiergroepen isoleren
    - kortere warmup door geen peikbelastingen
    - grote krachtwinst
    - nauwkeurig meten kracht
  2. nadelen
    - wegvallen coördinatie systemen
    - dure apperatuur
    - geen bewegingsversnelleing
29
Q

uithoudingsvermogen

A
  1. definitie
    - vermogen om statische of dynamische arbeid zo lang mogelijk vol te houden
  2. lokaal of algemeen
    - afh van gebruikte spiermassa
    - meer of minder dan 1/6
  3. energievoorziening
    - aeroob = verbranding glucose, glycogeen & vetten met O2
    - anaeroob = afbraak glucose & glycogeen -> lactaat
  4. aard van spiercontracties
    - statisch
    - dynamisch

doel = algemeen, aëroob & dynamisch

30
Q

maximaal aeroob uithoudingsvermogen

A
  1. maximale zuurstof opname = VO2max
    - getraind persoon = 10min volhouden
    - ongetraind = 3-4min
  2. uithoudingsvermogen op submaximaal niveau
    - %VO2max
    - oxydatieve capaciteit spiern
    - lactaat productie & eliminatie
31
Q

uithouding in training

A
  1. indeling van inspanningsduur
    - kort = 35sec-2min
    - middellang = 2-10min ≈ VO2max
    - lang: I = 30min, II = 90min, III 120min & IV = +++
  2. interactie algemeen & specifiek uithoudingsvermogen
    - algemeen = inspanning met grote spiergroepen zo lang mogelijk vol te houden
    - specifiek = specifieke prestaties zo lang mogelijk volhouden
  3. variabelen in oefenmodaliteiten
    - type
    - volume
    - intensiteit
    - tijdsduur interval
    - rust
    - frequentie
32
Q

indeling van trainingen

A
  1. fysiologische indeling
    - algemene oefenmodaliteiten
    - HF-methoden
  2. sportgerichte fysiologische indeling
    - percentage maximale intensiteit
    - lactaat methode
  3. trainingsmethodologie indeling = vanuit trainingspraktijk
  4. geïntegreerd model
33
Q

fysiologische HR-methode

A
  1. HF - tov - VO2max
    - 50-28 = gewichtcontrole
    - 60-42 = gewichtcontrole
    - 70-56 = fitheid
    - 80-70 = aeroob
    - 90-83 = anaëroob
    - 100-100 = uitputting
  2. trainingsgevoelige zone
    - intensiteit beginners = 60-80% HFmax
    - intensiteit gevorderden = 70-90% HFmax
    - 60% = minimale oefenprikkel
    - HFrust + 60% x (HFmax-HFrust)
    –> zone van 10 slagen verschil voor HFvariabiliteit
  3. andere parameters
    - duur = 30-60min
    - frequentie = 3-4x/week
34
Q

fysiologische VO2max-HFreserve

A
  1. erg licht
    - VO2max & HFreserve = <30%
    - volledige vetverbraning
  2. licht
    - VO2max & HFreserve = 30-50%
    - aeroob vetverbranding
  3. gemiddeld
    - VO2max & HFreserve = 50-75%
    - aeroob KH
  4. zwaar
    - VO2max & HFreserve = 75-85%
    - aeroob/anaeroob
  5. erg zwaar
    - VO2max & HFreserve = >85%
    - anaeroob
35
Q

lactaatmethode

A

exponentieel stijgende curve lactaat tov. VO2max

  1. duurtrainingen
    - recuperatie training
    - extensieve duurtraining
    - aerobe drempel
    - intensieve duurtraining
    - anaerobe drempel
    - gefractioneerde duurtraining
  2. intervallen
    - extensieve interval training
    - intensieve interval training
    - of
    - interval van korte duur = 15sec-1min
    - interval van middellange duur = 1-4min
    - interval van lange duur = 4-15min