H5 Koude oorlog Flashcards
Dekolonisatie
Het proces waarbij voormalige koloniën onafhankelijk werden van Europese moederlanden, vooral na de Tweede Wereldoorlog.
Koude Oorlog
De periode van politieke en militaire spanning tussen de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie (1945-1991) zonder directe oorlog tussen beide grootmachten.
Ideologische tegenstelling
De strijd tussen het kapitalistische Westen (VS en bondgenoten) en het communistische Oosten (Sovjet-Unie en bondgenoten).
Kapitalistisme
Een economisch systeem waarin bedrijven en productiemiddelen in privébezit zijn en marktwerking de economie bepaalt.
IJzeren Gordijn
De denkbeeldige grens tussen het communistische Oostblok en het kapitalistische West-Europa tijdens de Koude Oorlog.
Satellietstaat
Een land dat officieel onafhankelijk is, maar in feite politiek en economisch wordt beïnvloed door een ander (meestal groter) land.
blokkade van Berlijn
De blokkade van West-Berlijn door de Sovjet-Unie in 1948-1949 om de westerse invloed in de stad te beperken, waarop de geallieerden reageerden met een luchtbrug.
Containmentpolitiek
De Amerikaanse strategie om de verspreiding van het communisme tegen te gaan door middel van economische, militaire en diplomatieke maatregelen.
Marshallhulp
Het economische hulpprogramma van de VS om West-Europese landen economisch te steunen na de Tweede Wereldoorlog en zo communistische invloeden te beperken.
Noord-Atlantische Verdragsorganisatie (NAVO):
Een militaire alliantie van westerse landen, opgericht in 1949 om collectieve verdediging tegen de Sovjetdreiging te garanderen.
Warschaupact
Een militair bondgenootschap van de Sovjet-Unie en Oostbloklanden, opgericht in 1955 als tegenhanger van de NAVO.
Bondsrepubliek Duitsland (BRD)
Het westelijke, democratische deel van Duitsland dat na de Tweede Wereldoorlog werd opgericht en onder invloed van de westerse geallieerden stond.
Duitse Democratische Republiek (DDR)
Het communistische Oost-Duitsland dat onder controle stond van de Sovjet-Unie van 1949 tot 1990.
landverraders
Personen die in oorlogstijd of tijdens bezettingen samenwerken met de vijand en hun eigen land verraden.
Hongaarse opstand
De opstand van de Hongaarse bevolking in 1956 tegen het communistische bewind en de overheersing door de Sovjet-Unie, die bloedig werd neergeslagen.
Nikita Chroesjtsjov
De leider van de Sovjet-Unie (1953-1964) die verantwoordelijk was voor de destalinisatie en betrokken was bij de Cubacrisis.
Kernwapens
Wapens met een enorme vernietigingskracht, gebaseerd op kernsplijting of kernfusie.
Afschrikking
De militaire strategie waarbij landen kernwapens gebruiken om tegenstanders af te schrikken van een aanval.
Berlijnse Muur
De muur die in 1961 werd gebouwd om Oost-Berlijn van West-Berlijn te scheiden en vluchtelingen naar het Westen tegen te houden.
Cubacrisis
De confrontatie tussen de VS en de Sovjet-Unie in 1962 over Sovjet-kernraketten op Cuba, die bijna leidde tot een kernoorlog.
John F. Kennedy
De Amerikaanse president (1961-1963) die een belangrijke rol speelde in de Koude Oorlog en de Cubacrisis, en in 1963 werd vermoord.
Praagse Lente
De hervormingsbeweging in Tsjecho-Slowakije in 1968 die meer vrijheid en democratisering nastreefde, maar door de Sovjet-Unie werd neergeslagen.
Glasnost
De politiek van openheid en meer vrijheid van meningsuiting in de Sovjet-Unie, geïntroduceerd door Gorbatsjov in de jaren 80.
Perestrojka
De economische en politieke hervormingen in de Sovjet-Unie onder Gorbatsjov, bedoeld om het communistische systeem te moderniseren.
Michaïl Gorbatsjov
De laatste leider van de Sovjet-Unie, verantwoordelijk voor Glasnost en Perestrojka, wat leidde tot het einde van de Koude Oorlog.
Ronald Reagan
De Amerikaanse president (1981-1989) die een harde lijn tegen de Sovjet-Unie voerde en bijdroeg aan het einde van de Koude Oorlog.
Duitse eenwording
Het proces waarbij Oost- en West-Duitsland in 1990 werden herenigd na de val van de Berlijnse Muur.
Europese Unie
De economische en politieke unie van Europese landen die nauwer samenwerken op economisch, juridisch en politiek gebied.
nationalisme
De ideologie waarbij het eigen volk en de eigen natie als superieur worden beschouwd, wat kan leiden tot vijandigheid tegen andere naties.
11 september 2001
De terroristische aanslagen op de Twin Towers in New York en het Pentagon in Washington op 11 september 2001, uitgevoerd door Al Qaida.
Terreur
Het gebruik van geweld en intimidatie om politieke of ideologische doelen te bereiken, vaak door niet-statelijke groeperingen.