Frans Flashcards
1
Q
Het kledingstuk
A
Le vêtement
2
Q
Het t-shirt
A
Le t-shirt
3
Q
De broek
A
Le pantelon
4
Q
De tas
A
Le sac
5
Q
De zonnebril
A
Les lunettes de soleil
6
Q
Of
A
Ou
7
Q
Dragen
A
Porter
8
Q
Kopen
A
Acheter
9
Q
Dol zijn op
A
Adorer
10
Q
Een hekel hebben aan
A
Détester
11
Q
Vinden
A
Trouver
12
Q
Spelen
A
Jouer
13
Q
Binnengaan
A
Entrer
14
Q
Ontdekken
A
Découvrir
15
Q
Uitstappen, naar beneden gaan
A
Descendre
16
Q
Gratis
A
Gratuit(e)
17
Q
De achtbaan
A
Les montagnes russes
18
Q
De snelheid
A
La vitesse
19
Q
Geweldig
A
Génial(e)
20
Q
Bezoeken
A
Visiter
21
Q
Bijna
A
Presque
22
Q
Vanaf
A
à partir de
23
Q
Het water
A
L’eau
24
Q
Blond
A
Blond(e)
25
Roodharig/rossig
Roux/rousse
26
Kort
Court(e)
27
Oud
Vieux/vieille
28
Slank
Mince
29
Dik
Gros/grosse
30
Lang
Long/longue
31
De jurk
La robe
32
De riem
La ceinture
33
De schoenen
Les chaussures
34
De helm
Le Casque
35
De ogen
Les yeux
36
De gids
Le guide
37
De openingtijden
Les heures d’ouvertura
38
Gesloten
Fermè(e)
39
De korting
La réduction
40
Duur
Cher/chère
41
Knap,leuk
Joli(e)
42
Nieuw
Nouveau/nouvelle
43
Niet slecht
Pas mal
44
Winkelen
Fiare les magasins
45
Winkelen
Faire du shopping
46
De haven
Le port
47
De collectie
La collection
48
De mode
La mode
49
De boetiek
La boutique
50
De kwaliteit
La qualité
51
De man
L’homme
52
De vrouw
La femme
53
Het cadeau
Le cadeau
54
De zomer
L’été
55
Stilte!
Silence!