Frans 2 Flashcards
Sportief
Sportif
De dag
La journée
De les
La course
De keer
La fois
Jij wilt
Tu veux
Al
Déjà
Natuurlijk
Bien sûr
Vaak
Souvent
Alleen maar
Seulement
Fit zijn
êntre en forme
Spelen
Jouer
Doen,maken
Faire
Proberen
Essayer
Ontmoeten
Recontrer
Dansen
Faire de la danse
Voetballen
Faire du foot (ball)
Tennissen
Faire du tennis
Paardrijden
Faire de l’équitation
Fietsen
Faire du vélo
Basketballen
Faire du basket
Het team
L’équipe
De speler
Le jouer
De scheidsrechter
L’arbitre
De wedstrijd
Le match
Het doelpunt
Le but
Gevaarlijk
Dangereux / dangereuse
Moeilijk
Difficile
Laatste
Dernier
Belangrijk
Important
Tussen
Entre
Beginnen
Commencer
Winnen
Gagner
Deelnemen
Participer
Jij moet
Il faut
Zwemmen
Faire de la natation
Schaatsen
Faire du patinage
Le rêve
De droom
Tous les jours
Elke dag