Chapter 7 Lesson 2 Flashcards
1
Q
de griep
A
the flu
2
Q
de operatie
A
operation
3
Q
de reisverzekering
A
travel insurance
4
Q
de tandarts
A
dentist
5
Q
de verwarming
A
heating
6
Q
de verzekering
A
insurance
7
Q
de ziekenwagen
A
ambulance
8
Q
het halfuur
A
half hour
9
Q
het ongeluk
A
accident
10
Q
het uur
A
hour
11
Q
verkouden
A
catch a cold
12
Q
vreslijk
A
horrible
13
Q
ziek
A
sick
14
Q
aankleden
A
decorate
15
Q
aanstan
A
on
16
Q
amuseren
A
amuse
17
Q
bewegen
A
to move
18
Q
breken
A
break
19
Q
Haasten (zich)
A
Hurry up
20
Q
herinneren
A
terminal
21
Q
hoesten
A
cough
22
Q
kammen
A
to comb
23
Q
meebrengen
A
bring over
24
Q
opereren
A
operate
25
Q
scheren
A
share
26
Q
uitgaan
A
go out
27
Q
uitkleden
A
undress
28
Q
vergissen (zich)
A
mistake
29
Q
vervelen
A
to bore
30
Q
wassen
A
to watch
31
Q
eigenlijk
A
actually
32
Q
gauw
A
soon
33
Q
helemaal niet
A
absolutely niet
34
Q
Wat is er gebeurd?
A
What happened?