Chapter 5, lesson 5 Flashcards
1
Q
de bestemming
A
destination
2
Q
de gids
A
guide
3
Q
de haven
A
harbour
4
Q
de kunst
A
art
5
Q
de meter
A
meter
6
Q
de rivier
A
river
7
Q
de stijl
A
style
8
Q
de toren
A
tower
9
Q
de vertraging
A
delay
10
Q
de wol
A
wool
11
Q
het handelscentrum
A
trade centre
12
Q
het kanaal
A
channel
13
Q
het loket
A
counter
14
Q
het perron
A
platform
15
Q
het plezier
A
pleasure
16
Q
het retour
A
return
17
Q
het spoor
A
rail
18
Q
het treinkaartje
A
train ticket
19
Q
het voorbeeld
A
example
20
Q
Europees
A
European
21
Q
hedendaags
A
contemporary
22
Q
middeleeuws
A
medieval
23
Q
snel
A
fast
24
Q
toeristisch
A
touristic
25
Q
vlug
A
hurry
26
Q
weleens
A
sometimes
27
Q
heen en terug
A
back and fourth
28
Q
betekenen
A
mean
29
Q
binnenrijden
A
drive in
30
Q
klimmen
A
to climb
31
Q
leiden
A
lead
32
Q
samenkopen
A
getting togheter
33
Q
was (zijn)
A
used to be
34
Q
komaan
A
come on
35
Q
snel
A
fast
36
Q
vooruit
A
forward