Chapter 2, lesson 7 WORDLIST Flashcards
de administratie
administration
de berg
mountain
de concentratie
concentration
de driehoek
triangle
de eeuw
century
de graad
degree
de grens
border
de groep
group
de herfst
autumn
de kans
opportunity
de kust
coast
de lente
spring
de migrant
migrant
de natuur
nature
de temperatuur
temperature
vreemdeling
stranger
de winter
winter
de zee
sea
de zomer
summer
de zon
sun
het bos
forest
het buurland
neighbouring country
het jaar
year
het klimaat
climate
het noordoosten
northeast
het noordwesten
northwest
het zuidoosten
southeast
het zuidenwesten
southwest
het seizoen
season
de weerbericht
weather forecast
het oosten
east
het noorden
north
het westen
west
het zuiden
south
bewolkt
cloudy
fris
fresh
gematigd
moderate
gemiddeld
average
hoog(hoogste)
high highest
laag(laagste)
low lowest
meer
more
meeste
most
verschrikkelijk
terrible
vlak
right
warm
hot
zonnig
sunshine(sunny)
altijd
all the time
dikwijls
often
meestal
mostly
nooit
never
nu
now
ongeveer
about
soms
sometimes
vaak
often
zelden
rarely
zoveel
that much
vinden
find
vormen
form
waaien(het waait)
blowing (its windy)
wandelen
to walk
zeggen
say
zien
see
regenen (het regent)
to rain (is raining)
schijnen (de zon schijnt)
shine (the sun is shining )