7B Flashcards
1
Q
statim
A
meteen
2
Q
iterum
A
weer, opnieuw
3
Q
clamo
A
roepen
4
Q
ecce!
A
kijk!
5
Q
denique
A
tenslotte
6
Q
rideo
A
lachen
7
Q
opprimo
A
neerdrukken, overweldigen, overvallen
8
Q
occido
A
doden
9
Q
at
A
maar
10
Q
ego
A
ik
11
Q
respondeo
A
antwoorden
12
Q
tu
A
jij
13
Q
eum
A
(acc) hem
14
Q
maneo
A
wachten (op), blijven
15
Q
fugio
A
vluchten
16
Q
-ne
A
…? niet vertalen, leidt een vraagzin
17
Q
te
A
(acc) je, jou
18
Q
interficio
A
doden
19
Q
secundus, secunda, secundum
A
tweede
20
Q
mortuus, mortua, mortuum
A
dood, gestorven
21
Q
A