5B Flashcards
1
Q
enim
A
want, namelijk, immers
2
Q
vester, vestra, vestrum
A
(van) jullie
3
Q
inventit
A
(hij) vindt
4
Q
tempus
A
tijd (nom/acc, onz)
5
Q
portat
A
(hij) draagt
6
Q
vivunt
A
(zij) leven
7
Q
cognoscere
A
leren kennen, vernemen (md-stam)
8
Q
dicit
A
(hij) zegt
9
Q
tristis, triste
A
droevig, bedroefd
10
Q
fortis, forte
A
dapper, sterk
11
Q
crudelis, crudele
A
wreed
12
Q
incolumis, incolume
A
ongedeerd
13
Q
salutant
A
(zij) begroeten (als)
14
Q
eius
A
van hem, van haar, van het
15
Q
consilium
A
plan, besluit
16
Q
faciunt
A
(zij) maken, (zij) doen
17
Q
gaudent
A
(zij) zijn blij
18
Q
capiunt
A
(zij) pakken, (zij) nemen