5A Flashcards
1
Q
ergo
A
dus
2
Q
amittere
A
verliezen (md-stam)
3
Q
periculum
A
gevaar
4
Q
duo
A
twee
5
Q
iacent
A
zij liggen
6
Q
bibere
A
zij drinken (md-stam)
7
Q
audit
A
hij hoort
8
Q
vult
A
hij wilt
9
Q
fratres
A
broers
10
Q
venit
A
hij komt
11
Q
tum
A
toen