5C Flashcards
1
Q
altus, alta, altum
A
hoog, diep
2
Q
circa
A
+acc rondom, om……heen
3
Q
habitare
A
(be) wonen
4
Q
volunt
A
(zij) willen
5
Q
omnis, omne
A
ieder, elk, geheel
6
Q
omnes
A
alle(n)
7
Q
amicus (mv: amici)
A
vriend
8
Q
terret
A
(hij) maakt bang, (hij) verschrikt
9
Q
ita
A
zo
10
Q
esse
A
(te) zijn (inf)
11
Q
nondum
A
nog niet
12
Q
super
A
boven(op), over +acc
13
Q
sic
A
zo
14
Q
incipiunt
A
(zij) beginnen
15
Q
nomen
A
naam (nom/acc onz)
16
Q
ubi
A
waar, waar?
17
Q
immortalis, imortale
A
onsterfelijk
18
Q
locus
A
plaats