Глаголы - 3 часть Flashcards
achterhalen
We moeten achterhalen wie de waarheid spreekt.
Нам нужно выяснить, кто говорит правду.
aanbieden
Hij biedt zijn excuses aan voor de fout.
Он приносит свои извинения за ошибку.
aanhouden
De politie heeft de verdachte aangehouden.
Полиция задержала подозреваемого.
afleiden (van)
Het lawaai leidt me af van mijn werk.
Шум отвлекает меня от работы.
achterlaten
Je kunt je spullen hier achterlaten.
Ты можешь оставить свои вещи здесь.
opmerken
Niemand merkte op dat ik weg was.
Никто не заметил, что я ушел.
oproepen
Ze roept iedereen op om te stemmen.
Она призывает всех голосовать.
terugkeren
Ik keer morgen terug naar huis.
Я возвращаюсь домой завтра.
uitspreiden
Spreid je armen uit en vlieg als een vogel!
Расправь руки и лети как птица!
aanpassen (aan)
Ik pas me aan aan de nieuwe omgeving.
Я приспосабливаюсь к новой обстановке.
opeten
Hij heeft alles opgegeten zonder iets te laten liggen.
Он все съел, не оставив ничего.
afspreken
Zullen we morgen om vijf uur afspreken?
Договоримся встретиться завтра в пять?
opletten
Let op tijdens het oversteken!
Будь внимателен, переходя дорогу!
doorzetten
Ondanks de tegenslagen zet hij door.
Несмотря на трудности, он продолжает.
overbrengen
Kun je mijn boodschap aan haar overbrengen?
Можешь передать ей мое сообщение?
uitleggen
De leraar legt de nieuwe grammatica uit.
Учитель объясняет новую грамматику.
herhalen
Kun je dat herhalen, alstublieft?
Ты можешь повторить это, пожалуйста?
tegenkomen
Ik kwam een oude vriend tegen op straat.
Я встретил старого друга на улице.
afbreken
Het oude gebouw wordt binnenkort afgebroken.
Старое здание скоро будет снесено.
toestaan
Mijn ouders staan niet toe dat ik laat thuiskom.
Мои родители не разрешают мне приходить домой поздно.
terughalen
Kun je het boek dat ik je leende terughalen?
Ты можешь вернуть книгу, которую я тебе одолжил?
instellen
We moeten een nieuw wachtwoord instellen.
Нам нужно установить новый пароль.
misgaan
Wat ging er mis tijdens het examen?
Что пошло не так во время экзамена?
onderhouden
Hoe onderhoud jij je auto?
Как ты ухаживаешь за своим автомобилем?
oproepen
De advertentie roept een sterk gevoel van nostalgie op.
Реклама вызывает сильное чувство ностальгии.
overdrijven
Je moet niet overdrijven, het is geen ramp.
Не преувеличивай, это не катастрофа.
voortzetten
Laten we het gesprek voortzetten na de pauze.
Давайте продолжим разговор после перерыва.
vastleggen
Kun je dit moment vastleggen met je camera?
Ты можешь запечатлеть этот момент на свою камеру?
weggooien
Gooi dat oude brood maar weg.
Просто выбрось этот старый хлеб.
weten
Ik weet niet wat ik moet doen.
Я не знаю, что мне делать.
zich vergissen
Ik vergis me vaak in namen.
Я часто путаю имена.
zich verheugen (op)
Ik verheug me op het weekend.
Я с нетерпением жду выходных.