Глаголы - 3 часть Flashcards

1
Q

achterhalen

A

We moeten achterhalen wie de waarheid spreekt.

Нам нужно выяснить, кто говорит правду.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

aanbieden

A

Hij biedt zijn excuses aan voor de fout.

Он приносит свои извинения за ошибку.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

aanhouden

A

De politie heeft de verdachte aangehouden.

Полиция задержала подозреваемого.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

afleiden (van)

A

Het lawaai leidt me af van mijn werk.

Шум отвлекает меня от работы.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

achterlaten

A

Je kunt je spullen hier achterlaten.

Ты можешь оставить свои вещи здесь.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

opmerken

A

Niemand merkte op dat ik weg was.

Никто не заметил, что я ушел.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

oproepen

A

Ze roept iedereen op om te stemmen.

Она призывает всех голосовать.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

terugkeren

A

Ik keer morgen terug naar huis.

Я возвращаюсь домой завтра.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

uitspreiden

A

Spreid je armen uit en vlieg als een vogel!

Расправь руки и лети как птица!

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

aanpassen (aan)

A

Ik pas me aan aan de nieuwe omgeving.

Я приспосабливаюсь к новой обстановке.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

opeten

A

Hij heeft alles opgegeten zonder iets te laten liggen.

Он все съел, не оставив ничего.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

afspreken

A

Zullen we morgen om vijf uur afspreken?

Договоримся встретиться завтра в пять?

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

opletten

A

Let op tijdens het oversteken!

Будь внимателен, переходя дорогу!

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

doorzetten

A

Ondanks de tegenslagen zet hij door.

Несмотря на трудности, он продолжает.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

overbrengen

A

Kun je mijn boodschap aan haar overbrengen?

Можешь передать ей мое сообщение?

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

uitleggen

A

De leraar legt de nieuwe grammatica uit.

Учитель объясняет новую грамматику.

17
Q

herhalen

A

Kun je dat herhalen, alstublieft?

Ты можешь повторить это, пожалуйста?

18
Q

tegenkomen

A

Ik kwam een oude vriend tegen op straat.

Я встретил старого друга на улице.

19
Q

afbreken

A

Het oude gebouw wordt binnenkort afgebroken.

Старое здание скоро будет снесено.

20
Q

toestaan

A

Mijn ouders staan niet toe dat ik laat thuiskom.

Мои родители не разрешают мне приходить домой поздно.

21
Q

terughalen

A

Kun je het boek dat ik je leende terughalen?

Ты можешь вернуть книгу, которую я тебе одолжил?

22
Q

instellen

A

We moeten een nieuw wachtwoord instellen.

Нам нужно установить новый пароль.

23
Q

misgaan

A

Wat ging er mis tijdens het examen?

Что пошло не так во время экзамена?

24
Q

onderhouden

A

Hoe onderhoud jij je auto?

Как ты ухаживаешь за своим автомобилем?

25
Q

oproepen

A

De advertentie roept een sterk gevoel van nostalgie op.

Реклама вызывает сильное чувство ностальгии.

26
Q

overdrijven

A

Je moet niet overdrijven, het is geen ramp.

Не преувеличивай, это не катастрофа.

27
Q

voortzetten

A

Laten we het gesprek voortzetten na de pauze.

Давайте продолжим разговор после перерыва.

28
Q

vastleggen

A

Kun je dit moment vastleggen met je camera?

Ты можешь запечатлеть этот момент на свою камеру?

29
Q

weggooien

A

Gooi dat oude brood maar weg.

Просто выбрось этот старый хлеб.

30
Q

weten

A

Ik weet niet wat ik moet doen.

Я не знаю, что мне делать.

31
Q

zich vergissen

A

Ik vergis me vaak in namen.

Я часто путаю имена.

32
Q

zich verheugen (op)

A

Ik verheug me op het weekend.

Я с нетерпением жду выходных.