Глаголы - 2 часть Flashcards

1
Q

uitbreiden

A

We willen ons bedrijf uitbreiden naar het buitenland.

Мы хотим расширить наш бизнес за границу.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

uitpakken

A

Ik pak de cadeautjes uit onder de kerstboom.

Я распаковываю подарки под елкой.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

uitoefenen

A

Hij oefent veel invloed uit op het bestuur.

Он оказывает большое влияние на руководство.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

uitspreken

A

Kun je dit woord duidelijk uitspreken?

Ты можешь четко произнести это слово?

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

vergelijken (met)

A

Vergelijk jouw werk met dat van je collega’s.

Сравни свою работу с работой коллег.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

verliezen

A

Ik wil deze wedstrijd niet verliezen.

Я не хочу проигрывать этот матч.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

verwijderen

A

Hij heeft de app van zijn telefoon verwijderd.

Он удалил приложение со своего телефона.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

verzenden

A

We hebben je bestelling gisteren verzonden.

Мы отправили твой заказ вчера.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

volhouden

A

Het is moeilijk, maar ik houd vol.

Это трудно, но я держусь.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

voorkomen

A

We moeten proberen fouten te voorkomen.

Мы должны попытаться избежать ошибок.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

voorlezen

A

De leraar leest een verhaal voor aan de kinderen.

Учитель читает детям рассказ вслух.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

waarschuwen

A

Ik waarschuw je nog één keer.

Я предупреждаю тебя в последний раз.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

wijzen (op)

A

Hij wijst op een fout in het rapport.

Он указывает на ошибку в отчете.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

wijden (aan)

A

Zij wijdt haar leven aan kunst.

Она посвящает свою жизнь искусству.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

wisselen

A

Kunnen we van plaats wisselen?

Можем мы поменяться местами?

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

zwijgen

A

Hij zweeg tijdens de vergadering.

Он молчал во время собрания.

17
Q

afwassen

A

Kun je de borden afwassen na het eten?

Можешь помыть тарелки после еды?

18
Q

aandoen

A

Doe je jas aan, het is koud buiten.

Надень пальто, на улице холодно.

19
Q

uitdoen

A

Doe je schoenen uit bij de deur.

Сними обувь у двери.

20
Q

meenemen

A

Neem je paraplu mee, het gaat regenen.

Возьми зонт с собой, будет дождь.

21
Q

terugkomen

A

Wanneer kom je terug van vakantie?

Когда ты вернешься из отпуска?

22
Q

opstaan

A

Ik sta elke dag om zeven uur op.

Я встаю каждый день в семь часов.

23
Q

uitnodigen

A

Ze nodigt mij uit voor haar verjaardag.

Она приглашает меня на свой день рождения.

24
Q

doorwerken

A

We moeten doorwerken om het project af te krijgen.

Нам нужно продолжать работать, чтобы закончить проект.

25
Q

afzeggen

A

Hij heeft onze afspraak afgezegd.

Он отменил нашу встречу.

26
Q

opruimen

A

Ruim je kamer op voordat je naar buiten gaat.

Убери свою комнату, прежде чем выходить.

27
Q

terugvinden

A

Heb je je verloren sleutels teruggevonden?

Ты нашел свои потерянные ключи?

28
Q

afmaken

A

Maak je huiswerk af voor het avondeten.

Закончите домашнее задание перед ужином.

29
Q

bijhouden

A

Kun je het tempo bijhouden tijdens de training?

Ты можешь держать темп во время тренировки?

30
Q

achterblijven

A

Hij blijft achter in zijn studie.

Он отстает в учебе.

31
Q

uitstellen

A

Laten we de vergadering niet langer uitstellen.

Давайте больше не откладывать встречу.