Глаголы - 2 часть Flashcards
uitbreiden
We willen ons bedrijf uitbreiden naar het buitenland.
Мы хотим расширить наш бизнес за границу.
uitpakken
Ik pak de cadeautjes uit onder de kerstboom.
Я распаковываю подарки под елкой.
uitoefenen
Hij oefent veel invloed uit op het bestuur.
Он оказывает большое влияние на руководство.
uitspreken
Kun je dit woord duidelijk uitspreken?
Ты можешь четко произнести это слово?
vergelijken (met)
Vergelijk jouw werk met dat van je collega’s.
Сравни свою работу с работой коллег.
verliezen
Ik wil deze wedstrijd niet verliezen.
Я не хочу проигрывать этот матч.
verwijderen
Hij heeft de app van zijn telefoon verwijderd.
Он удалил приложение со своего телефона.
verzenden
We hebben je bestelling gisteren verzonden.
Мы отправили твой заказ вчера.
volhouden
Het is moeilijk, maar ik houd vol.
Это трудно, но я держусь.
voorkomen
We moeten proberen fouten te voorkomen.
Мы должны попытаться избежать ошибок.
voorlezen
De leraar leest een verhaal voor aan de kinderen.
Учитель читает детям рассказ вслух.
waarschuwen
Ik waarschuw je nog één keer.
Я предупреждаю тебя в последний раз.
wijzen (op)
Hij wijst op een fout in het rapport.
Он указывает на ошибку в отчете.
wijden (aan)
Zij wijdt haar leven aan kunst.
Она посвящает свою жизнь искусству.
wisselen
Kunnen we van plaats wisselen?
Можем мы поменяться местами?
zwijgen
Hij zweeg tijdens de vergadering.
Он молчал во время собрания.
afwassen
Kun je de borden afwassen na het eten?
Можешь помыть тарелки после еды?
aandoen
Doe je jas aan, het is koud buiten.
Надень пальто, на улице холодно.
uitdoen
Doe je schoenen uit bij de deur.
Сними обувь у двери.
meenemen
Neem je paraplu mee, het gaat regenen.
Возьми зонт с собой, будет дождь.
terugkomen
Wanneer kom je terug van vakantie?
Когда ты вернешься из отпуска?
opstaan
Ik sta elke dag om zeven uur op.
Я встаю каждый день в семь часов.
uitnodigen
Ze nodigt mij uit voor haar verjaardag.
Она приглашает меня на свой день рождения.
doorwerken
We moeten doorwerken om het project af te krijgen.
Нам нужно продолжать работать, чтобы закончить проект.
afzeggen
Hij heeft onze afspraak afgezegd.
Он отменил нашу встречу.
opruimen
Ruim je kamer op voordat je naar buiten gaat.
Убери свою комнату, прежде чем выходить.
terugvinden
Heb je je verloren sleutels teruggevonden?
Ты нашел свои потерянные ключи?
afmaken
Maak je huiswerk af voor het avondeten.
Закончите домашнее задание перед ужином.
bijhouden
Kun je het tempo bijhouden tijdens de training?
Ты можешь держать темп во время тренировки?
achterblijven
Hij blijft achter in zijn studie.
Он отстает в учебе.
uitstellen
Laten we de vergadering niet langer uitstellen.
Давайте больше не откладывать встречу.