11. de top 100 Duits Flashcards
hinter
achter
hinten
achteraan
letzten Monat
Afgelopen maand
schon
al
Nur (of: nur noch)
Alleen maar
Nur noch
Alleen nog
Wenn
Als
Bitte
Alstublieft (als je iets geeft)
Immer
Altijd
Anfangen
Beginnen
Fast
Bijna
Zum Beispiel
Bijvoorbeeld
Besonders
Bijzonder
Außerdem
Bovendien
Dort
Daar
Darum
Daarom
Aber
Maar
Machen
Maken, doen
Leicht
Makkelijk
Meistens
Meestal
Vielleicht
Misschien
Schwierig
Moeilijk
Möglich
Mogelijk
Morgen
Morgen
Zu
Naar
Neben
Naast
Nirgendwo
Nergens
Brauchen
Nodig hebben
Ziemlich
Nogal
Nie
Nooit
Jetzt
Nu
Oder
Of
Das war es
Dat was het
Die Sprache
De taal
Dauern
Duren
Also
Dus
Eins
Één (getal)
Ein bisschen
Een beetje
Zuerst
Eerst
Guten Appetit
Eet smakkelijk
Jeden Tag
Elke dag
Und
En
Einzige
Enige
Einige
Enkele
Es gibt
Er is/zijn
Mal
Even(tjes)
Kein
Geen
Zum Glück
Gelukkig
Gewesen
Geweest
Gestern
Gisteren
Gerne
Graag
Gern geschehen of bitte
Graag gedaan
Leider nicht
Helaas niet
Es tut mir leid
Het spijt me
Wie geht es dir?
Hoe gaat het met je?
Wie oft
Hoe vaak
Wie viel
Hoeveel
Wieso
Hoezo
Mögen
Houden van
Etwas
Iets
Ich möchte
Ik wil graag
Man
Je, men
Genau, gerade
Juist
Fertig
Klaar
Kurz
Kort
Kalt
Koud
Lang(e)
Lang
Weil
Omdat
Ungefähr
Ongeveer
Auch
Ook
Am Montag
Op maandag
Aufhören
Ophouden, stoppen
Überall
Overal
Erst
Pas
Pro Woche
Per week
Seit
Sinds
Manchmal
Soms
Entschuldigung! Of: Verzeihung!
Sorry!
Sowieso
Toch al
Auf Wiedersehen!
Tot ziens
Aus
Uit
Oft
Vaak
Öfter
Vaker
Von.. bis
Van.. tot
Heute
Vandaag
Viel
Veel
Weit
Ver
Falsch
Verkeerd
Erzählen
Vertellen
Nächste
Volgende
Vorne
Voraan
Wo
Waar
Wohin
Waar naartoe
Woher
Waar vandaan
Warum
Waarom
Warm
Warm
Was
Wat
Wenig
Weinig
Wer
Wie
So dass
Zodat