1) 1-50 Flashcards
clumsy
onhandig
sly
geniepig
mean
gemeen
impolite
onbeleefd
envious
jaloers
arm
de arm
shoulder
de schouder
elbow
de elleboog
leg
het been
knee
de knie
belly
de buik
face
het gezicht
forehead
het voorhoofd
cheek
de wang
nostrils
de neusgaten
lips
de lippen
tongue
de tong
chin
de kin
honest
eerlijk
patient
geduldig
playful
speels
polite
beleefd
talkative
spraakzaam
husband
de echtgenoot
wife
echtgenote
son
de zoon
daughter
de dochter
grandfather
de grootvader
grandmother
de grootmoeder
colleague
de collega
stranger
de vreemde
boyfriend
de vriend
girlfriend
de vriendin
to meet
ontmoeten
punctuation
de interpunctie
exclamation point
het uitroepteken
question mark
het vraagteken
colon (mark)
de dubbele punt
few
weinig
many
veel
no/none
geen
all
alle
half
de helft
to
naar
from
vanaf
with
met
without
zonder
in front of
voor
behind
achter
me
mij