WOORDEN - H10 | De voltooid verleden tijd Flashcards
1
Q
Afgelopen
A
Finish
2
Q
Wereldwijd
A
Global
3
Q
Groei
A
Growth
4
Q
Spectaculair
A
Spectacular
5
Q
Tokio
A
Tokyo
6
Q
Overgeplaatst
A
Transfer
7
Q
Opgezet
A
Set up
8
Q
Aanbetaling
A
Down payment
9
Q
Fusie
A
Merger
10
Q
Aangekondigd
A
Announce
11
Q
Aandelenkoers
A
Share price
12
Q
Kleine zaken
A
Small businesses
13
Q
Failliet gaan
A
Go bankrupt (fail)
14
Q
Factuur
A
Invoice
15
Q
Van mening veranderd
A
Changed one’s mind
16
Q
Visum
A
Visa
17
Q
Aangevraagd
A
Apply for
18
Q
Verlaagde
A
Lower
19
Q
Inflatie
A
Inflation
20
Q
Rentetarief
A
Interest rate
21
Q
Loonkosten
A
Labour costs
22
Q
Met
A
by
23
Q
Procent
A
Per cent
24
Q
Bod
A
Bid
25
Q
Gedaan
A
Make
26
Q
Verkoper
A
Seller
27
Q
Vraagprijs
A
Asking price
28
Q
Leeg
A
Empty
29
Q
Projectontwikkelaar
A
Project development
30
Q
Bouwgrond
A
Building land