Week 8 Flashcards

1
Q

Wat kunnen 2 gevolgen zijn van onderontwikkelde longen en retina bij vroeggeboorte?

A
  • Broncho-pulmonaire dysplasie (BPD)
  • Retinale vaso-obliteratie (ROP)
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Wat kunnen we aan de moeder geven om longen uit te laten rijpen bij vroeggeboorte?

A

Corticosteroïden

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

Welke factoren zijn geassocieerd met vroeggeboorte?

A
  • Daling in progesteron
  • Cervicale aandoening
  • Stress
  • Infectie
  • Vasculaire problemen
  • Dedicuele veroudering
  • Uteriene overdistension -> vergroting van de uterus
  • Vermindering maternale-foetale tolerantie
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Van welke 4 factoren is de intra-uteriene groei afhankelijk?

A
  • Maternale factoren
  • Foetale factoren
  • Placentaire functie
  • Insuline-achtige groeifactor-1 en 2 (IGF-1 en 2)
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Hoeveel procent van de groei is genetisch bepaald?

A

80%

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Waardoor ontstaat de groeispurt? En hoeveel groeien jongens en meiden in de groeispurt?

A

o Meer groeihormoonproductie onder invloed van geslachtshormonen
o Meisjes groeien 20-25 cm
o Jongens groeien 25-30 cm

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Hoe definiëren we een te kleine of te grote lengte?

A

Te kleine of te grote lengte is < of > 2 SD’s voor de leeftijd en geslacht.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

Hoe berekenen we de target height en wanneer is deze minder betrouwbaar?

A

De target height (TH) wordt berekend o.b.v. de gemeten lengte van de ouders. Deze is minder betrouwbaar bij > 20 cm verschil tussen de ouders.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

Bij welke groeicurves is er een verhoogde kans op pathologie?

A
  • Groei afbuiging of versnelling (> 1 SD’s, herhaalde metingen)
  • Te kleine of te grote lengte (< of > 2 SD’s)
  • Groot verschil met streeflengte (>1,6 SD’s)
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

Wat zijn primaire groeistoornissen?

A
  • Verstoorde regulatie groei schijf (epifysairschijf)
  • Mutaties in genen met rol in cellulaire processen, paracriene signalen, extracellulaire matrix
  • SGA (small for gestational age) geboorte zonder inhaalgroei
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

Wat zijn voorbeelden van primaire groeistoornissen?

A
  • Turner syndroom
  • Noonan
  • Silver-Russell
  • Prader-Willi
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

Wat zijn kenmerken van Turner syndroom?

A
  • Klassiek 45XO
  • Faciale dysmorfieën, wijde tepelstand, korte benen
  • Hartafwijkingen, nierafwijkinfen
  • Verhoogde kans op ontwikkeling van auto-immuun aandoeningen
  • Premature ovariële insufficiëntie
  • Milde ontwikkelingsproblemen
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

Wat zijn voorbeelden van secundaire groeistoornissen?

A
  • Endocriene stoornissen
  • Chronische ziekte in orgaansystemen
  • Iatrogeen
  • Malnutritie
  • Emotionele deprivatie
  • Aanvankelijke normale groei, gevolgd door afbuiging
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

Wat is de meest voorkomende vorm van groeistoornissen?

A

Tertiaire groeistoornissen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

Wat zijn naast primaire, secundaire en tertiaire groeistoornissen andere oorzaken van stoornissen in de groeicurves?

A
  • Stoornis in de GH-IGF-1 as
  • Stoornis in de thyreoïdale as
  • Stoornis in de adrenale as
  • Chronische ziekte
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

Wat zijn 3 gevolgen van een GH-deficiëntie?

A

o Kleine lengte met meestal progressieve aandoening  vaak is de afbuiging pas zichtbaar na 6-12 maanden
o Vertraagde botrijping en daardoor achterlopende skeletleeftijd
o Meer vet, minder spiermassa, verminderde botdichtheid

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
17
Q

Voor welke 3 factoren is schildklierhormoon noodzakelijk?

A
  • Hersengroei/neurologische ontwikkeling
  • Stofwisseling: thermogenese, aminozuur- en vetmetabolisme
  • Lengtegroei
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
18
Q

Wat is een voorbeeld van een aandoening t.g.v. een stoornis in de adrenale as?

A

Cushing

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
19
Q

Wat zijn gevolgen van een stoornis in de adrenale as?

A
  • Afbuigende lengtecurve met toename gewicht tot obesitas
  • Emotionele problemen, moeheid, spierzwakte
  • Vollemaans gezicht, striae
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
20
Q

Wat voor effect heeft obesitas op de BMI?

A

De BMI is vaak 1 SD groter bij obesitas

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
21
Q

Wat kunnen oorzaken zijn van grote lengte?

A
  • Constitutioneel snelle rijping
  • Obesitas-geïnduceerde snelle rijping
  • Polygeen familiaire grote lengte
  • Monogenetische grote lengte
  • Hormonale overproductie
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
22
Q

Waar letten we op bij een grote lengte?

A
  • Geboortegewicht/-lengte/-schedelomtrek
  • Groeicurve
  • Bijkomende ontwikkeling- of gedragsproblemen
  • Visusproblemen
  • Vroegtijdige puberteitskenmerken
  • Familie anamnese
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
23
Q

Hoe definiëren we perinatale sterfte?

A

Perinatale sterfte is doodgeboorte of sterfte vanaf 22 weken tot 28 dagen postpartum en/of 500 gram geboortegewicht en/of >25 centimeter kruin-hiellengte.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
24
Q

Wat zijn oorzaken van perinatale sterfte?

A
  • Prematuriteit
  • Dysmaturiteit (IUGR/SGA)
  • Aangeboren afwijkingen
  • Placenta afwijkingen
  • Infecties
  • Lage APGAR-score
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
25
Q

Wat is een chronische histiocytaire intervillositis?

A

Dit is een histiocytaire ontsteking tussen de vlokken en met aantasting daarvan.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
26
Q

Wat zijn de gevolgen van een chronische histiocytaire intervillositis?

A

Er is een herhalingsrisico van > 80%. Er is een hoge kans op een ongunstige zwangerschapsuitkomst (IUGR of IUVD) door een verminderd oppervlak voor gasuitwisseling. Er komen macrofagen in de intervilleuze ruimte, waardoor de vlokken die hier zitten geen bijdrage meer kunnen leveren aan de gastuitwisseling.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
27
Q

Wat zijn problemen die geassocieerd zijn met prematuriteit?

A
  • Hyaliene membranenziekte
  • Bronchopulmonale dysplasie
  • Necrotiserende enterocolitis
  • Retinopathie van de prematuriteit
  • Germinale matrix en intraventriculaire hersenbloedingen
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
28
Q

Wat zijn predisponerende factoren van RDS en bij welke kinderen komt het vaak voor?

A

Het wordt met name gezien bij hele jonge premature kinderen: 60% bij < 28 weken. De kans op afnemend met de zwangerschapsduur.
Predisponerende factoren zijn:
- Sectio caesarea
- Maternale diabetes
- Mannelijk
- Gemelli

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
29
Q

Wat is de meest frequente oorzaak van respiratoire insufficiëntie bij pasgeborenen?

A

Respiratoir distress syndroom (RDS)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
30
Q

Waardoor ontstaat RDS en hoe kan het voorkomen worden?

A

Er is een gebrek aan surfactant (type 2 pneumocyten). De productie wordt gestimuleerd door corticosteroïden. Preventieve therapie is prenatale corticosteroïden aan de moeder en postnataal surfactant inhalatie van de neonaat.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
31
Q

Wat zijn 2 complicaties van RDS?

A
  1. Bronchopulmonale dysplasie (BPD)
  2. Retinopathie van prematuriteit (ROP)
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
32
Q

Hoe wordt de diagnose BPD gesteld?

A

De klinische diagnose wordt gesteld via de O2-behoefte bij meer dan 28 dagen postpartum.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
33
Q

Wat voor beeld toont BPD?

A

Er is een verlies van de alveolaire septa, wat een emfyseem-achtig beeld vertoond. Verder is er een vermindering van het aantal alveoli met een relatief onrijp beeld van het longparenchym.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
34
Q

Welke delen van de darm zijn aangedaan bij necrotiserende enterocolitis?

A
  • Terminale ileum
  • Coecum
  • Colon ascendens
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
35
Q

Wat zijn bijdragende factoren bij een necrotiserende enterocolitis?

A
  • Darmischemie
  • Bacteriële colonisatie
  • Enterale voeding
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
36
Q

Wat is de behandeling van necrotiserende enterocolitis?

A

. De behandeling is conservatief, maar 20-60% operatief (resectie).

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
37
Q

Wat is de preventie van necrotiserende enterocolitis?

A

Moedermelk

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
38
Q

Wat is sudden infant death syndroom?

A

Dit is het plotseling overlijden van een kind onder 1 jaar (en niet in de eerste week) waarvan de oorzaak onopgehelderd blijft na grondig onderzoek, inclusief complete obductie, analyse van de plaats van overlijden en review van de klinische geschiedenis.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
39
Q

Wat zijn omgevingsfactoren die bijdragen aan de incidentie van sudden infant death syndroom?

A
  • Buikslapen
  • Co-sleeping
  • Hyperthermie
  • Slapen op een zacht oppervlak
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
40
Q

Wat zijn risicofactoren van sudden infant death syndroom van de ouders en het kind?

A

Risicofactoren ouders
- Jonge maternale leeftijd
- Roken en drugsgebruik van beiden ouders
- Weinig of geen perinatale zorg
- Lage socio-economische status
- Kinderen kort op elkaar geboren

Risicofactoren kind
- Prematuren of ex-prematuren
- Mannelijk geslacht
- Meerlingen
- SIDS bij een broertje of zusje
- Voorafgaande respiratoire infecties
- Hersenstamafwijkingen

41
Q

Welke 3 factoren dragen bij aan de absorptie van een geneesmiddel?

A
  • Bioavailability (geabsorbeerde fractie)
  • Absorptiesnelheid
  • Geneesmiddelkarakteristieken
42
Q

Waar wordt de bioavailability door verhoogd en verlaagd?

A
  • Verhoogd door
     Zuurgraad
     Maagontlediging
     Oplossing in vloeistof
     Oppervlakte duodenum/body mass
     Efflux transporters
     Cyp enzymen
  • Verlaagd door
     Zuurgraad
     Maagontlediging
     GER
     First-pass
43
Q

Waar wordt een geneesmiddel met name opgenomen?

A

In het duodenum

44
Q

Via welke soort diffusie worden de meeste geneesmiddelen opgenomen?

A

Via passieve diffusie

45
Q

Wat zijn 4 factoren die een invloed hebben op de snelheid van de inwerking van een geneesmiddel bij kinderen?

A
  • Zuurgraad -> neemt af in de loop van de tijd
    o Zuur-labiel: sneller opgenomen bij neonaat
    o Zwak-organische zuren: langzamer opgenomen bij neonaat
  • Enzymactiviteit
  • Darm
    o Bij een neonaat vertraagd
    o Bij een peuter versneld
  • First-pass uptake
    o Vertraagd
46
Q

Geven we orale medicatie voor levensbedreigende aandoeningen bij neonaten? Waarom wel of niet?

A

Nee, de maagpassage bij een neonaat is vertraagd tot 6-8 maanden.

47
Q

Hoe worden geneesmiddelen rectaal opgenomen?

A

Via de hemorrhoidale venen

48
Q

Wat zijn voor- en nadelen van rectaal toedienen van medicatie bij neonaten?

A

Voordeel
- Makkelijk toe te dienen

Nadeel
- Incomplete of wisselende resorptie via de faeces

49
Q

Van welke 2 factoren is de distributie van een geneesmiddel afhankelijk?

A
  • Lichaamssamenstelling
  • Eiwitbinding
50
Q

Leiden lokale middelen vaker of minder vaker tot systemische bijwerkingen bij kinderen? Waarom wel of niet?

A

Lokaal toegepaste middelen leiden bij kinderen vaker tot systemische bijwerkingen dan volwassenen. Het huidoppervlak van een kind is namelijk relatief groter dan bij volwassenen. Hierdoor kan de bloedspiegel van een lokaal toegepast middel hoger zijn dan bij een volwassene.

51
Q

Welke intra-uteriene infecties kunnen transplacentair worden overgedragen? En welke opstijgend of via de vagina?

A
  • Transplacentair
    o Listeria monocytogenes
    o Toxoplasmose gondii
    o CMV
  • Opstijgend of via vagina
    o GBS
    o Escherichia coli
    o Herpes simplex
52
Q

Wat is het acroniem TORCHES? En waar staat het voor?

A

De belangrijkste infecties die intra-uterien voorkomen.
- Toxoplasmose (via katten)
- Other
o HIV
o Parvovirus B19
- Rubella (worden we tegen gevaccineerd  BMR)
- Cytomegalovirus
- Herpes simplex virus
- Syfilis

53
Q

Waar vaccineren we zwangere vrouwen tegen?

A
  • DTP (difterie, tetanus en polio)
  • Syfilis
  • Hepatitis B
  • HIV
54
Q

Hoe presenteert een CMV-infectie zich bij een neonaat?

A

Dit presenteert zich in de vorm van een niet-ernstig ziek kind die icterisch is en uitslag heeft.

55
Q

Bij hoeveel van de pasgeborenen komt een CMV-infectie voor?

56
Q

Hoeveel procent van de pasgeborenen asymptomatische neonaten met een CMV-infectie zijn slechthorend?

57
Q

Wat komt in de kliniek voor bij een CMV-infectie?

A
  • Prematuritas
  • Small gestitational age (SGA)
  • Hepatosplenomegalie
  • Petechiën/purpura
  • Icterus
  • Neurologische afwijkingen
    o Periventriculaire verkalkingen
    o Microcephalie
    o Hypotonie
    o Convulsies
  • Laboratorium
    o Trombocytopenie
    o Geconjugeerde hyperbilirubinemie
    o Verhoogde transaminasen
58
Q

Welke diagnostiek kan worden gedaan om een neonatale CMV-infectie vast te stellen?

A
  • PCR CMV in urine en speeksel
  • Detectie van antistoffen
  • Een positieve PCR voor de leeftijd van 21 dagen is bewijzend voor een congenitale infectie
59
Q

Wat is de behandeling van een neonatale CMV-infectie? En wat zijn indicaties voor een behandeling?

A

De behandeling is ganciclovir. Indicaties voor behandeling zijn een chorioretinitis en een pneumonie.

60
Q

Waar presenteren HSV-1 en HSV-2 zich?

A
  • HSV-1 -> labialis
  • HSV-2 -> genitalis
61
Q

Hoeveel procent van de HSV-2 infecties verloopt asymptomatisch bij volwassenen en adolescenten?

62
Q

Waarom verloopt een HSV-infectie ernstiger bij een neonaat als er bij de moeder geen sprake is van een primaire infectie?

A
  • Geen antistoffen
  • Hogere virale load
63
Q

Hoeveel % van de kinderen wordt bij een primaire HSV-infectie ernstig ziek? En hoeveel % wordt ziek als de moeder al een primaire HSV-1 infectie heeft doorgemaakt?

A

Bij een primaire infectie wordt 50% van de kinderen ernstig ziek. Wanneer de moeder al een keer HSV-1 heeft doorgemaakt, wordt 30% ernstig ziek (er zijn dan kruis-antigenen die een beschermend effect geven).

64
Q

Welke 3 klinische manifestaties zijn er van een HSV-infectie?

A
  • Gedissemineerde vorm
  • CZS
  • Skin/eye/mouth
65
Q

Wat is de behandeling van een HSV-infectie? En wat is de diagnostiek?

A

Diagnostiek
- Tzank-test huidlaesie
- PCR oropharynx
De behandeling is acyclovir.

66
Q

Wat zijn 2 verwekkers die conjunctivitis neonatorum kunnen veroorzaken?

A
  • Chlamydia trachomatis
  • Neisseria gonorrhoeae
67
Q

Wat zijn symptomen van een sepsis/meningitis bij een neonaat?

A
  • Kreunen
  • Slechte perifere circulatie/grauw
  • Temperatuursinstabiliteit
  • Apnoes/bradycardiën
  • Convulsies
  • Weinig/niet actief
68
Q

Wat zijn 2 mogelijke verwekkers van een meningitis bij een neonaat?

A
  • Bèta-hemolytische streptococ groep B
  • E. coli
69
Q

Wanneer starten de symptomen bij een early onset groep B streptococcen infectie? En late onset?

A
  • Early onset
    o 0-6 dagen
    o 90% op de eerste levensdag
  • Late onset
    o 7 dagen-3 maanden
70
Q

Komt een early of late onset manifestatie bij een groep B streptococcen infectie vaker voor?

A

Early onset (75%) komt vaker voor dan late onset (25%).

71
Q

Hoe is een early onset groep B streptococcen vaak opgelopen? En een late onset?

A

Early onset: via de vagina
Late onset: via de vagina of slechte handhygiëne

72
Q

Wat is de mortaliteit voor neonaten met een groep B streptococcen infectie?

73
Q

Wat zijn risicofactoren voor het oplapen van een groep B streptococcen infectie?

A
  • Vroeggeboorte (< 37 weken)
  • PROM  gebroken vliezen zonder weëenactiviteit (> 24 uur)
  • Tekenen infectie bij moeder
  • Zware maternale kolonisatie = UWI
  • Vrouwen met eerder kind met groep B streptococcen ziekte
74
Q

Hoeveel moeders geven na 6 maanden nog borstvoeding in Nederland?

75
Q

Waar zijn kinderen die borstvoeding beter tegen beschermd?

A
  • Maagdarminfecties (-50%)
  • Middenoorontsteking (-50%)
  • Luchtweginfecties (-33%)
  • Overgewicht en diabetes op latere leeftijd
76
Q

Wat zijn immunologische factoren in moedermelk?

A
  • Aspecifieke afweer
  • Specifieke afweer
  • Probiotica
  • Prebiotica
  • Cytokines, chemokines en receptoren
  • Anti-inflammatoire factoren
  • Bindingseiwitten
  • Enzymen
77
Q

Wat is een voordeel van moedermelk in het eerste levensjaar?

A

Er is een Ig-dip in het 1e jaar en de IgA uit de moedermelk kan deze dip opvullen. IgA voorkomt dat verwekkers uit de omgeving van de moeder binden aan het darmepitheel.

78
Q

Wat voor invloed heeft moedermelk op de kans op obesitas?

A

Iedere maand geeft een 4% risicoreductie

79
Q

Heeft borstvoeding een effect op het IQ van een kind?

80
Q

Wat voor effect heeft borstvoeding op de hersenontwikkeling?

A

Borstvoeding leidt ook tot neurologische, visuele en cognitieve ontwikkeling. Er zitten essentiële vetzuren (LC-PUFA’s) in borstvoeding, wat een bouwstof is voor het hersenweefsel en de retina.

81
Q

Hoe noemen we vroege melk?

82
Q

Welke vitamines moeten wanneer gesuppleerd worden bij de voeding van een kind?

A
  • Vitamine K moet bij borstvoeding gesuppleerd worden (eerste 3 maanden).
  • Vitamine D moet ook gesuppleerd worden bij flesvoeding, tot minimaal 4 jaar.
  • Bij premature kinderen moet er ook extra eiwit, calcium en fosfaat moeten worden gesuppleerd, voor de groei en preventie van rachitis.
83
Q

Welke 3 stappen zijn er tijdens het lactatieproces?

A
  1. Melkklieren: actief en passief transport van stoffen naar de melk
  2. Opslag in alveoli
  3. Uitstroom via melkgangen
84
Q

Welke 2 hormonen spelen een rol in de lactatie? En welke rol?

A

Prolactine komt vrij via de hypofyse voorkwab door prikkeling van de tepel. De melkproductie neemt hierdoor toe.

Verder speelt oxytocine ook een belangrijke rol in de lactatie. Dit komt vrij via de hypofyse achterkwab bij het zien/horen/voelen van het kind. Het geeft een ‘toeschietreflex’ en zorgt voor binding.

85
Q

Welke maternale complicaties kunnen gepaard gaan met borstvoeding?

A
  • Tepelkloven
  • Verstopping
  • Mastitis/abcedering
  • Stille ondervoeding aan de borst
86
Q

Wat zijn 4 contra-indicaties voor borstvoeding?

A
  • Enkele psychofarmaca (zoals lithium) en antidepressiva
  • Chemotherapeutica
  • Harddrugs en methadon > 20 mg/dag
  • Overmatig alcoholgebruik
87
Q

Welke 6 fysiologische verschillen zitten er tussen baby’s en volwassenen?

A
  • Bloed-hersen barrière minder goed
  • Verminderde werking stollingsfactoren
  • Minder contractiel hartweefsel
  • Meer REM slaap
  • Hoge zuurstof consumptie
  • Fragiele cerebrale vaten
88
Q

Wat zijn aspecten aan de luchtwegen die anders zijn bij kinderen? En wat voor effect heeft dit?

A
  • Nauw luchtwegen: kinderen moeten meer moeite doen om adem te halen bij een hoge weerstand.
  • Neusademhaling
  • Grote tong
  • Alveoli zijn minder ontwikkelt
  • Ribben hebben meer kraakbeen en een horizontale positie
  • Diafragma heeft minder type 1 vezels en een horizontale positie
89
Q

Bij hoeveel % van de zwangerschappen komt bloedverlies in de eerste 16 weken voor?

90
Q

Wat zijn 5 aanwijzingen voor een EUG?

A
  • Vaginaal bloedverlies
  • Buikpijn heviger en/of anders dan bij menstruatie
  • Risicofactoren voor EUG
    o Tubachirurgie
    o Fertiliteitsbehandeling
    o PID
    o Eerdere EUG
  • Zwangerschap bij spiraal of na sterilisatie
  • Bij lichamelijk onderzoek
    o Pijn bij palpatie buik
    o Peritoneale prikkeling
    o Slingerpijn bij vaginaal toucher
91
Q

Wat zijn 3 oorzaken van bloedverlies in het derde trimester?

A
  • Dreigende vroeggeboorte
  • Abruptio (solutio) placentae
  • Placenta praevia
92
Q

In hoeveel % van de zwangerschappen komt emesis gravidarum voor?

93
Q

Welke 3 adviezen worden gegeven aan vrouwen met emesis gravidarum?

A
  • Gember kan helpen
  • Eet en drink vaker een beetje, niet te veel tegelijkertijd
  • Neem rust
94
Q

Wanneer is er sprake van hyperemesis gravidarum?

A

Bij dreigende dehydratie, gewichtsverlies of onvoldoende verbetering van klachten ondanks behandeling met anti-emetica.

95
Q

Welke medicatie kan aangeboden worden bij emesis gravidarum?

A

Meclozine of Metoclopramide

96
Q

Wat zijn symptomen van pre-eclampsie?

A
  • Pijn in de bovenbuik/tussen de schouderbladen
  • Hoofdpijn
  • Visusklachten
  • Misselijkheid en/of braken
  • Ziek of griepachtig gevoel, zonder koorts
  • Plotseling vocht vasthouden in gezicht, handen of voeten
97
Q

Wat is het beleid bij een mastitis?

A
  • Stase tegengaan frequent voeden, begin aan aangedane zijde
  • Warmtecompressen
  • Pijnstilling
  • Antibiotica bij algemeen ziek zijn, koorts of geen verbetering bij afwachtend beleid: flucloxacilline 4dd 500 mg
98
Q

Aan welke 3 B’s moet worden gedacht bij koorts in het kraambed?

A
  • Borst
  • Buik
  • Been