Week 10 Flashcards

1
Q

Waarin ontstaan meestal inborn errors of metabolism?

A
  • Enzymen
  • Membraan transport eiwitten
  • Cofactoren
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Waarmee presenteert een PKU zich?

A
  • Verstandelijke beperking
  • Blond haar en lichte huid
  • Microcefalie
  • Epilepsie
  • Achteruitgang, spasticiteit
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

Hoe is de BMI-verdeling?

A
  • < 18,5 ondergewicht
  • 18,5-25 normaal gewicht
  • > 25 overgewicht
  • > 30 obesitas
    o Obesitas graad 3 = > 40
    o Obesitas graad 2 = > 35
    o Obesitas graad 1 = > 30
  • > 35 ernstige obesitas
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

Van welke 3 factoren zijn de afkapgrenzen qua gewicht voor kinderen vanaf 2 jaar oud van afhankelijk?

A
  • Leeftijd
  • Geslacht
  • Etniciteit
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Wat is de grootste risicofactor voor het ontwikkelen van obesitas?

A

Een obesogene omgeving

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Wat zijn factoren die bijdragen aan het ontstaan van obesitas?

A
  • Bewegen
  • Eten en drinken
  • Slapen
  • Biomedische factoren
  • Sociale factoren
  • Psychische factoren
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Welke 3 aspecten vallen onder de biomedische screening van overgewicht?

A
  • Anamnese
  • Lichamelijk onderzoek
  • Groeicurve
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Welke vormen van obesitas zijn er?

A
  • Medicatie-geïnduceerd
  • Hormonaal
  • Genetisch
  • Chronische ziekte
  • Hypothalame schade
  • Multifactoriële leefstijlfactoren
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

Wat zijn de normen van gezond bewegen voor kinderen en volwassenen?

A
  • Kinderen: minimaal 1 uur per dag matig intensief bewegen en 3 keer per week spier- en botversterkende activiteiten.
  • Volwassenen: minimaal 2,5 uur per week matig intensief bewegen en 2 keer per week spier- en botversterkende activiteiten.
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

Welke risicofactoren geeft obesitas?

A
  • Laag zelfbeeld, pesten, somber, depressieve klachten
  • Hypertensie
  • Diabetes mellitus type 2
  • Gewrichtsklachten
  • OSAS
  • Dyslipidemie
  • Lever steatosis
  • Vroege puberteit, PCOS
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

Wanneer moeten kinderen met overgewicht naar de kinderarts worden verwezen?

A

Bij afwijkende waarden en bij glucose > 5,6 mmol/L (nuchter).

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

Op welke 3 factoren kan worden ingegrepen met een gecombineerde leefstijlinterventie?

A
  • Bewegen
  • Eten en drinken
  • Slapen
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

Welke 3 behandelingen zijn er voor obesitas bij kinderen?

A
  • Gecombineerde leefstijlinterventie
  • Farmacotherapie
  • Bariatrische chirurgie
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

Welke effecten heeft farmacotherapie op obesitas?

A
  • Beloningssysteem in balans
  • Neuro-endocrien: minder eetlust
  • Trager maagontlediging
  • Meer insuline gevoeligheid
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

Noem 4 voorbeelden van medicatie tegen obesitas?

A
  • Liraglutide
  • Semaglutide
  • Naltrexon
  • MC4R agonist
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

Wat is de meest voorkomende vorm van kinderkanker?

A

Leukemie (acute lymfatische leukemie)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

Wat zijn 5 factoren die bijdragen aan het ontstaan van kindertumoren?

A
  • Genetische afwijking
  • Multipele hit model
  • Familiair (10%)
  • Virale infecties (EBV gerelateerd aan kinderkanker)
  • Straling
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
17
Q

Hoeveel procent van de kinderen geneest van kanker?

A

85%

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
18
Q

Hoeveel procent van de lymfeklierzwellingen bij kinderen bij benigne?

A

95%

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
19
Q

Hoeveel procent van de lymfomen zijn grootcellig B-lymfomen?

A

8%

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
20
Q

Wat zijn symptomen die voorkomen bij non-Hodgkin lymfomen bij kinderen?

A
  • Bolle buik
  • Benauwdheid
  • Klieren
  • Obstructie
  • Snelgroeiend
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
21
Q

Wat is de behandeling van B-cellig non-Hodgkin lymfoom? En van non-Hodgkin lymfoom?

A
  • 4-9 maanden B-NHL
  • 2 jaar NHL
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
22
Q

Hoeveel kinderen worden per jaar met Hodgkin lymfoom gediagnosticeerd?

A

25 kinderen

23
Q

Wat zijn symptomen bij Hodgkin-lymfoom?

A
  • Lymfeklierzwelling
  • Nachtzweten
  • Jeuk
  • Afvallen
  • Koorts
  • Langzamer groeiend
24
Q

Wat is er aan de hand bij mucopolysaccharidose?

A

De lysosomen functioneren niet goed, waardoor grote suikermoleculen niet goed worden afgebroken

25
Q

Wat zijn symptomen bij Ziekte van Hurler?

A

 Dysmorfie
 Verandering van uiterlijk
 Overbeharing
 Macrocefalie
 Groei/skeletafwijking
 Organomegalie
 Neurologische klachten

26
Q

Wat is er aan de hand bij de Ziekte van Zellweger?

A

Gebrek aan peroxisomen in de cellen, stapeling van zeer lange keten vetzuren in het lichaam

27
Q

Wat zijn symptomen bij Ziekte van Zellweger?

A

 Progressieve spierslapte
 Epilepsie
 Niercysten
 Skeletafwijkingen
 Retinitis pigmentosa
 Atrofie oogzenuw
 Hepatomegalie
 Doofheid
 Hersenaanlegstoornissen

28
Q

Wanneer moet je aan een stofwisselingsziekte denken?

A
  1. Problemen in groei en ontwikkeling
  2. Progressieve klachten of achteruitgang
  3. Familie geschiedenis positie
  4. Opvallende bevindingen bij lichamelijk onderzoek
  5. Acute ontregeling/bewustzijnsdaling bij een eerder gezonde patiënt
29
Q

Wat zijn symptomen van Menkes ‘kinky hair’ disease?

A
  • Achterstand in de psychomotore ontwikkeling
  • Spierslapte
  • Epilepsie
  • Verlies van oogcontact vanaf 3 maanden
  • Afwijkende haargroei
30
Q

Wat zijn opvallende bevindingen bij lichamelijk onderzoek bij stofwisselingsziekten?

A
  • Uiterlijke kenmerken/dysmorfieën
  • Microcefalie of macrocefalie
  • Organomegalie
  • Verandering van uiterlijke kenmerken
  • Neurologische klachten
  • Ongewone geuren bij stofwisselingsziekten
31
Q

Wat is een voorbeeld van een stofwisselingsziekte die ontstaat voor geboorte? En op volwassen leeftijd?

A
  • Voor de geboorte: hydrops foetalis
  • Volwassen leeftijd: Alkaptonurie
32
Q

Wat zijn klachten die voorkomen bij alkaptonurie?

A

 Toenemende rugpijn klachten
 Artrose
 Verkalking van het oorkraakbeen
 Zwarte verkleuring van de huidplooien
 Donkere verkleuring van de urine in de lucht

33
Q

Wat is er aan de hand bij medium-chain acyl-CoA dehydrogenase deficiëntie (MCADD)?

A

Een MCADD patiënt kan vetzuren niet afbreken om ATP te maken. Er is hierdoor een hoge uitscheiding van medium-chain vetzuren.

34
Q

Wat is er aan de hand bij glutaar acidurie type 1? En wat zijn de klinische symptomen?

A

Er is een defect in het lysine en tryptofaan metabolisme.
- Postnatale macrocefalie
- Nek hypotonie < 1 jaar
- Aanvallen van bewegingsstoornis bij koorts
- Necrose van de basale ganglia van de wittestof

35
Q

Wat voor therapie kennen we voor stofwisselingsziekten?

A
  • Behandeling van acute metabole decompensatie
  • Wegvangen van toxische stoffen
  • Dieet aanpassing
  • Enzymvervangende therapie
  • Gentherapie
36
Q

Wat kunnen we aanbieden qua preventie van stofwisselingsziekten?

A
  • Neonatale screening
  • Counseling voor de zwangerschap
  • Erfelijkheidsadvies aan patiënten
37
Q

Wat is een major congenitale afwijking?

A

Een afwijking die:
- Levensbedreigend is
- Uitgebreide chirurgie vereist
- Een ernstig cosmetisch effect heeft

38
Q

Wat zijn onderzoeksmogelijkheden van congenitale afwijkingen?

A
  • Infectie bij moeder
  • Infectie in het vruchtwater
  • Chromosoom afwijkingen
  • DNA afwijkingen
  • Stofwisselingsziekten
  • Mitochondriaal erfelijke afwijkingen
39
Q

Hoeveel van de major afwijkingen detecteren we?

40
Q

Wat zijn de voorwaarden voor obductie?

A
  • Natuurlijke dood
  • Toestemming door nabestaanden voor lichaamsobductie, schedelobductie en gebruik van materiaal voor onderwijs en onderzoek
41
Q

In welke 2 subcategorieën verdelen we anomalieën?

A
  • Vasculaire tumoren
  • Vaatmalformaties
42
Q

Hoeveel procent van de vasculaire tumoren zijn hemangiomen?

43
Q

Waar en bij wie komen hemangiomen het meeste voor?

A

Bij vrouwen en bij de hoofd-nek

44
Q

Wat is het normale beloop van vasculaire tumoren?

A
  1. Groei fase, disproportioneel groei
  2. Stabiele fase
  3. Involutie fase, spontane regressie
45
Q

Hoevaak komen complicaties voor bij hemangiomen en wat zijn deze complicaties?

A

Bij 25% van de kinderen.
- Ulceratie
- Functionele problemen
- Cosmetisch
- Hart

46
Q

Hoe behandelen we vaattumoren?

A

Timolol oogdruppels zijn bèta-blokkers die we op de huid kunnen toedienen. Meestal gebruiken we atenolol systemisch.

47
Q

Met welke 2 syndromen kunnen hemangiomen geassocieerd zijn?

A

PHACE-syndroom en LUMBAR-syndroom

48
Q

Wat zijn klachten die voorkomen bij PHACE syndroom?

A

o Posterior fossa abnormaliteiten
o Hemangioom
o Arteriële anomalieën
o Cardiovasculaire anomalieën
o Eye anomalieën
o Sternal cleft

49
Q

Wat zijn voorbeelden van maligne tumoren?

A
  • Primitieve neuroectodermale tumor
  • Kaposiform hemangio endothelioom
50
Q

Welke vormen vasculaire malformaties kennen we?

A
  • Capillaire malformaties
  • Lymfatische malformaties
  • Veneuze malformaties
  • Arterioveneuze malformaties
  • Arterioveneuze fistulen
51
Q

Wat is een naevus flammeus en hoe behandelen we dit?

A

Een wijnvlek, we behandelen dit met lasertherapie

52
Q

Waar moeten we alert op zijn wanneer CMTC voorkomt in het gelaat?

A

Op Sturge-Weber

53
Q

Welke 3 kenmerken komen voor bij Sturge-Weber?

A
  1. Glaucoom
  2. Aangeboren wijnvlek
  3. Epilepsie op jonge leeftijd
54
Q

Wat zijn 5 klinische verschijnselen bij veneuze malformatie?

A
  • Klachten bij afhangen
  • Klachten bij sporten
  • Toename als het warm is
  • Een fleboliet kan ontstaan
  • Geen thrill die je voelt kloppen of hoort met de stethoscoop
55
Q

Wat is het proteus syndroom?

A

Overgroeisyndromen

56
Q

Wat is de gouden standaard bij vaatanomalieën?

A

MRI met contrast