vocabulaire 5.2 Flashcards
het geluk
le bonheur
een stukje, eindje
un bout
een rapport
un bulletin
een verstandhoouding
un complicité
een gedrag
un comportement
een hel
un enfer
de verstikking
l’étouffement
de haat
la haine
een kerel, gast
un mec
het misprijzen
le mépris
een vriendje, lief
un petit ami
een vriendinnetje, lief
une petite amie
een aanwezigheid
une présence
oplettend
attentif, attentive
sommige
certains, certaines
gemeenschappelijk
commun(e)
afwisselen
alterner
naderen
(s’)approcher
betreffen, aangaan
concerner
tegenkomen
croiser
kapotmaken
démolir
weggaan, verwijderen
(s’)éloigner
fonkelen, schitteren, glinsteren
étinceler
bespieden
guetter
(zich) voorstelen
imaginer
beïnvloeden
influencer
dumpen
larguer
maken
rendre
breken, het uitmaken
rompre
geenszins
nullement
op den duur
à la longue
voor het geval dat
au cas où
op de versiertoer gaan
faire la drague
zonder stoppen, onophoudelijk
sans arrêt
een daad
un acte
de rust, calmte
le calme
de concentratie
la concentration
de concurrentie
la concurrence
van de school, school-
scolaire
(zich) isoleren
(s’) isoler
motiveren
motiver