vocabulaire 4.1 Flashcards
een verschijning, voorkomen
une apparence
een werkgever, een werkgeefster
un employeur, une employeuse
een gesprek, onderhoud
un entretien
een echtgenoot, een echtgenote
un époux, une épouse
een kind
un gamin, une gamine
de oppas
la garde
een opdracht, taak, functie
une mission
een werkaanbieding
une offre d’emploi
het diepzeeduiken
la plongée sous-marine
een afwasser
un plongeur
een dagblad
un quotidien
een reden
une raison
een loon
une rémunération
de verantwoordelijkheidszin
le sens des responsabilités
het einde van de schooldag
la sortie d’école
een glimlach
un sourire
het schoolwerk
le travail scolaire
een stem
une voix
Engelstalig
anglophone
begaafd
doué(e)
betrouwbaar
fiable
tekenen
dessiner
gespannenraken, zich opwinden
(s’) énerver
veschijnen
paraître
duiken
plonger
solliciteren
postuler
zoeken (naar)
rechercher
vanaf
à partir de
vanaf, sinds
dès
in verband met
au sujet de
gewend zijn
avoir l’habitude
Past dat voor u ? is dat geschikt voor u ?
Cela vous convient
(zich) kandidaat stellen voor
poser sa candidature pour
een afspraak maken
prendre rendez-vous
een cv
un cv
een aandachtsveld, thema
un centre d’intérêt
een student, een studente
un étudiant, une étudiante
een beroepservaring
une expérience professionnelle
een studentenjob
un job étudiant
een pizzakraam
un kiosque à pizzas
het materiaal
le matériel
een particulier
un particulier
een pyjama
un pyjama
de schoolvakantie
les vacances scolaire
gemotiveerd
motivé (e)
stipt, punctueel
ponctuel (le)