unit 4 business communication vocab Flashcards
handenarbeid
manual labour
(on)geschoolde arbeider
(un)skilled worker
personeel
staff
personeelsbestand
workforce
kaderlid
executive
werknemer
employee
werkgever
employer
collega
colleague or workmate
in dienst nemen
to hire/ employ/ take on
zijn brood verdienen
to earn a living
opslag krijgen
to get a rise
overuren werken
to work overtime
twee dagen verlof
a two- day leave
een vrije dag
a day off
met ziekteverlof zijn
to be on sick leave
lunchpauzes
lunch break
promotie krijgen
to get promoted/ promotion
bedrijfsreglement
company regulations
ploegendienst werken
to do shift work
nachtshift
night shift
pendelaar
commuter
ontslaan
to fire/ dismiss
ontslag nemen
to resign/ to give in one’s notice
ontslag
resignation
met pensioen gaan
to retire
gepensioneerd
retired
ambtenaar
civil servant
een winstgevende zaak
a business that runs at a profit
een verlieslatende zaak
a business that runs at a loss
eenmanszaak
a sole trader
zakenman worden
to go into business
failliet gaan
to close down a business/ to go out of business/ to go bankrupt
het bedrijf wordt een open nv
the company goes public
het bedrijf sluit zijn deuren
the company is wound up
bedrijfsbeleid
company policy
a fortnight
veertien dagen
a weekday/ workday
een werkdag
on the weekend/ during the weekends
in het weekend
the other day
onlangs
daily
dagelijks
the day before yesterday
eergisteren
a week today
over exact een week
the day after tomorrow
overmorgen
in the morning
’s morgens
in the evening
’s avonds
at night
’s nachts
in the early morning
in de vroege ochtend
half an hour
een half uur
around midnight
rond middernacht
towards the end of the month
tegen het einde van de maand
at the start/ the beginning
in/ bij het begin
in the end
uiteindelijk
once in a while
af en toe
later on
straks
now and again
meermaals/ telkens opnieuw
in the meantime
in de tussentijd
nowadays
vandaag de dag
annualy
jaarlijks
straight away
meteen
throughout the year
het hele jaar door
around noon/ by noon
tegen de middag