trajet 1 (4de jaar) Flashcards
pg 24-31 Examen 1
La devise
De leuze
le drapeau bleu, blanc et rouge
de blauw-wit-rode vlag
le drapeau tricolore
de Franse driekleur
l’État (m)
de staat
la fête nationale
de nationale feestdag
le gouvernement
de regering
l’hymne national
het volkslied
liberté (f), égalité (f), fraternité (f)
vrijheid, gelijkheid, broederschap
Marianne
Marianne (vertegenwoordigt de Republiek)
la Marseillaise
de Marseillaise (het Franse volkslied)
le président,
la présidente
de president(e)
la reine
de koningin
la république
de republiek
la révolution
de revolutie
le roi
de koning
le royaume
het koninkrijk
le signe
het teken
le symbole
het symbool
la baie
de baai
la campagne
het platteland
la cascade
de waterval
la colline
de heuvel
la côte
de kust
le désert
de woestijn
la dune
de duin
l’étang (m)
de vijver
la falaise
de klif (steile rotskust)
le fleuve
de stroom
les gorges (f)f (du verdon, du tarn)
de rotskloof
l’île (f)
het eiland
le lac
het meer
la mer
de zee
la montagne
de berg
le mont Blanc
de Mont Blanc (hoogste berg van Europa)
le point de vue
het uitzicht
la rivière
de rivier
la roche
de rots
le rocher
de rots
le rocher
de rots
le sentier
het pad
le sommet
de bergtop
la source
de bron
la vallée
de vallei, het dal
le volcan
de vulkaan
l’auberge de jeunesse (f)
de jeugdherberg
l’autoroute (f)
de autosnelweg
le camping
de camping
la chambre d’hôtes
de gastenkamer
le chemin
de weg
létoile (f)
de ster
l’excursion (f)
de excursie
le gîte (rural)
de (landelijke) vakantiewoning
le guide Michelin
de Michelinegids
le Midi
het Zuiden van Frankrijk
l’office de tourisme (m)
de dienst voor toerisme
le panneau
het (verkeers)bord
le péage
de tol
la promenade
de wandeling
la randonnée
de tocht, de lange wandeling
la RD, la D (route départementale)
de departementale weg
la RN, la N (route nationale)
de nationale weg
à l’étranger
in/ naar het buitenland
la banlieue
de buitenwijken
la capitale
de hoofdstad
la commune
de gemeente
le département
het departement
le D.O.M (département d’outre-mer)
het overzeese departement
l’hexagone (m)
de zeshoek (vorm van Frankrijk)
l’hôtel de ville (m)
het stadhuis
la mairie
het gemeentehuis
la région
de regio, de streek
la ville
de stad
l’apéritif (m)/
l’apéro
het aperitief
la baguette
het stokbrood
la bouillabaisse (de Marseille)
de bouillabaisse (soort vissoep)
la choucroute
de schotel op basis van zuurkool
les crustacés (m)
de schaaldieren
les esccargots (de Bourgogne) (m)
de slakken (in lookboter)
la ficelle
het dunnen stokbrood
les herbes de Provence (f)
De Provençaalse kruiden
l’huile d’olive (f)
de olijfolie
le produit du terroir
het streekproduct
la ratatouille (niçoise)
de ratatouille (gerecht met groenten)
le riz
de rijst
la tartiflette
de tartiflette (aardappelgerecht)
une gourde
drinkfles
une lampe torche
een zaklamp
un canif
een zakmes
une boussole
een kompas
un briquer
een aansteker
la trousse de toilette
de toiletzak
le sac de couchage
de slaapzak
le carnet
het schriftje
le vêtement de rechange
de vervangkledij
la crème solaire
de zonnecrème
la trousse de secours
de EHBO-kit
raccourci(e)
ingekort
pourri
rot
être mouillé
doorweekt zijn
biscuits
koekjes
une tente
een tent
une carte de randonnée
een wandelkaart
une corde
een touw
du papier toilette
toiletpapier
un bic et un camet
een pen en een notitieboekje
traverser la rivière
de rivier oversteken
faire un radeau
een vlot maken
tomber à l’eau, être mouillé
in het water vallen
des moustiques attaquer
muggen aanval
courir
lopen
dormir sous la tente, pas de toilettes
slapen in een tent, zonder toiletten
une araignée
een spin
la cabane de jardin
het tuinhuisje
la boussole, laisser tomber, cassée
kompas, laten vallen, gebroken
les broussailles
het struikgewas
un sanglier
een zwijn
trois panneaux différents
drie verschillende panelen