Sustantivos Flashcards
Food and drink
Eten en drinken
The water
Het water
The coffee
Het koffie
The beer
Het bier
The bread
Het brood
The vegetables
De gronten
The fish
De vis
The food
Het eten
Days of the week
Dagen van de week
Monday
Maandag
Tuesday
Dinsdag
Wensday
Woensdag
Thursday
Donderdag
Friday
Vritaag
Saturday
Zaterdag
Sunday
Zondag
Things
Dingen
The computer
De computer
The bed
Het bed
The door
De deur
The chair
De bal
The key
De sleutel
The car
De auto
The book
Het boek
The body
Het lichaam
The head
Het hoofd
The leg
Het been
The foot
De voet
The heart
Het hart
The mind
Het verstand
The hand
De hand
Clothes
Kleren
The shoes
De schoenen
The pants
De broek
The shirt
Het shirt
The belt
De riem
The colors
De kleuren
Red
Rood
Orange
Oranje
Yellow
Geel
Green
Groen
Blue
Blauw
Black
Zwart
White
Wit
Light
Licht
Dark
Donker
Rain
Regen
Sun
Zon
Tree
Boom
Beach
Strand
Rock
Rots
Air
Lucht
Accent
Accent
English
Engels
A Joke
Een grap
Noise
Lawaai
A call
Een telefoontje
Money
Geld
Visa
Visa
Mixer
Menger
Oven
Oven