Scheikunde H6 Flashcards
Intensieve landbouw
Landbouw met veel voedselproductie op klein oppervlak: zowel dierlijk als plantaardig.
Kunstmest
Volledig door de mens gemaakte meststof met hoofdelementen en sporenelementen.
Hoofdelementen
Atoomsoorten waarvan grote hoeveelheden nodig zijn tijdens de groei.
Sporenelementen
Noodzakelijk voor de groei, maar in kleine hoeveelheden.
Eutrofiëring
Inbrengen van te veel meststoffen in bodem en water.
Biologische landbouw
Landbouw waarbij geen kunstmest maar vooral biologische gewasbescherming wordt gebruikt. Bovendien krijgt vee biologisch voedsel en worden medicijnen alleen bij ziekte van de dieren toegediend.
Conserveren
Het tegengaan van voedselbederf.
Pasteuriseren
Conserveren door te verhitten tot 72 graden.
Steriliseren
Conserveren door te verhitten tot 120 graden.
Additieven
Toevoegingen aan voedsel om geur, smaak, uiterlijk of houdbaarheid te verbeteren.
E-nummers
Door de Europese Commissie toegestane additieven.
Koolhydraten
Stoffen opgebouwd uit koolstof, waterstof en zuurstof, waarbij de waterstof- en zuurstofatomen in een verhouding 2:1 voorkomen.
Vetten en oliën
Verbinding die is opgebouwd uit glycerol en vetzuren. Dient als brandstof voor het lichaam.
Energiewaarde
De hoeveelheid energie die vrijkomt als 100 g of 100 mL van een voedingsmiddel in je lichaam wordt verbrand.
Eiwitten
Bouwstoffen voor je lichaam, opgebouwd uit aminozuren.
Aminozuren
Bouwstenen van eiwitten.
Voedingsvezels
Noodzakelijk voor goede spijsvertering. Komen vooral uit plantaardige celwanden.
Vitamines
Hulpstoffen die je lichaam in kleine hoeveelheden nodig heeft.
Mineralen
Verbindingen afkomstig van aardbodem of zeeën.
Emulgator
Emulgator zorgt ervoor dat waterige vloeistoffen en olieachtige vloeistoffen kunnen mengen.
Zeep
Zeep zorgt ervoor dat vettig vuil kan worden verwijderd door als emulgator te werken.
Micel
Bolletje van zeepmoleculen, waarbij de hydrofobe staarten allemaal dezelfde kant op wijzen.
Hydrofiel
Verwijst naar een chemisch deeltje dat aangetrokken wordt door watermoleculen, heeft de neiging op te lossen in water.
Hydrofoob
Verwijst naar een chemisch deeltje dat afgesloten wordt door watermoleculen.
Zuren
Stof die reageert met base zoals kalk. Bijv: mierenzuur, zoutzuur, citroenzuur.
Basen
Antizuur, reageert met vet en zuur. Bijv: soda, ammoniak, natriumhydroxide.
Neutraal
Niet voor en niet tegen.
PH-waarde
Maat voor de zuurgraad van een oplossing. Zuur pH <7 . Neutraal pH = 7. Basisch pH > 7.
Zuur-base-indicator
Stof die door verkleuring kan aangeven wat de pH is.