Probleem 2 Flashcards

1
Q

Wat beweerde Miller?

A

Dat we 5 tot 9 chunks in het kortetermijngeheugen kunnen vasthouden

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Wat is een chunk?

A

Een geheugeneenheid die bestaat uit meerdere componenten die sterk geassocieerd zijn met elkaar

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

Wat is de Brown/Peterson en Peterson techniek?

A

Laten zien van items die deelnemers moeten onthouden. Daarna doen de deelnemers een afleidingstaak en moeten ze vervolgens de originele items weer oproepen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Wat is het Seriële positie effect? Welke twee effecten vallen hier onder?

A

U-vormige relatie tussen de positie van een woord in een lijst en de kans van onthouden
- recency & primacy

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Wat is het Recency effect?

A

Items aan het einde van de lijst worden beter onthouden

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Wat beweren onderzoekers over het Recency effect en het kortetermijngeheugen?

A

De items zitten nog in het kortetermijngeheugen op het moment van de recall, vaak 3 tot 7 items

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Wat is het Primacy effect?

A

Items aan het begin van de lijst beter onthouden

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

Waardoor onthoud je items aan het begin van de lijst beter? (primacy effect)

A
  1. Die items concurreren niet met eerdere items
  2. Men herhaalt deze items vaker
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

Wat is semantiek?

A

De betekenis van woorden en zinnen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

Wat is Proactive inteferentie van Wickens (1976)

A

Men heeft moeite om nieuw materiaal te leren omdat voorgaand geleerd materiaal blijft intefereren

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

Noem een voorbeeld van Proactieve interferentie

A

Je hebt drie items geleerd. Het wordt lastiger om een vierde item te leren omdat de voorgaande blijven interfereren. Als de de categorie van het vierde item veranderd onthoud je het wel

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

Wat is de release van Proactieve interferentie?

A

Categorie van het item veranderen van bijvb letters naar vormen. Hierdoor verbetert je geugen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

Wat is Retroactieve interferentie?

A

Moeite om oud materiaal te herinneren omdat nieuw materiaal interfereert met oud materiaal -> tegenovergestelde PI

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

Bij welke items hoort welke interferentie?

A
  1. Retroactieve interferentie = eerste items
  2. Retro en proactieve interferentie = middelste items
  3. Proactieve interferentie = laatste items
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

Uit welke 4 delen bestaat het kortetermijngeheugen?

A
  1. Centraal executief -> belangrijkst
  2. Fonologische loop
  3. Visuo-spatial sketchpad
  4. Episodische buffer
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

Wat is de fonologische loop

A

Informatie verbaal verwerken en opslaan: op spraak gebaseerd dus je slaat alleen op wat je hoort en geeft er nog geen betekenis aan.

17
Q

Uit welke twee componenten bestaat de fonologische loop?

A
  1. Passieve fonologische opslag direct betrokken bij spraakperceptie
  2. Articulatorisch proces gelinkt aan spraakproductie dat toegang geeft tot de fonologische opslag
18
Q

Wat is het Fonologische gelijkheidseffect?

A

Directe seriële recall van verbaal materiaal wordt verminderd wanneer de items hetzelfde klinken

19
Q

Wat is het woordlengte-effect?

A

De verbale geheugenruimte neemt af bij langere woorden

20
Q

Wat is Jalbert zijn kritiek op het woordlengte-effect?

A

Vond dat er een confounding is tussen woordlengte en orthografische buurt

21
Q

Wat is de orthografische buurt?

A

woorden van dezelfde lengte die verschillen in één letter -> korte woorden hebben meer buren dan lange

22
Q

Wat is het visuo-spatial sketchpad?

A

Ruimtelijke en visuele verwerking en tijdelijke opslag

23
Q

Uit welke componenten bestaat het Visuo-spatial sketchpad volgens Logie (1995)?

A
  1. Visuele cache: slaat info op over visuele vorm en kleur
  2. Innerlijke schrijver: verwerkt ruimtelijke en bewegingsinformatie, speelt een rol bij het herhalen van info in de visuele cache en brengt info van de visuele cache naar de centraal executief
24
Q

Wat is het centraal executief?

A

Het aandachtssysteem betrokken bij bijna alle complexe cognitieve activiteiten maar slaat geen info op

25
Q

Met welke 4 executieve processen is het centraal executief geassocieerd volgens Baddeley (1996)?

A
  1. Aandacht of concentratie focussen
  2. Aandacht verdelen tussen twee stimulus stromingen
  3. Aandacht switchen tussen taken
  4. Interactie hebben met het langetermijngeheugen
26
Q

Wat zijn Myake et al’s executieve functies?

A
  1. Inhibitiefunctie: opzettelijk dominante reacties negeren om afleiding te weerstaan
  2. Shifting functie: flexibel switchen tussen taken of mentale sets
  3. Updating functie: updaten van toevoegingen of verwijdering van inhoud van het werkgeheugen
27
Q

Wat is het dysexecutief syndroom?

A

Conditie waarin schade aan de frontale kwabben beperkingen vormen voor het centraal executieve component van het werkgeheugen

28
Q

Welke drie executieve processen zijn er volgens Stuss en Alexander (2007)?

A
  1. Taakzetting: plannen
  2. Monitoring: controleren
  3. Energisation: aanhoudende aandacht of concentratie