Past Participles Flashcards
Boeken
Geboekt (Booked - as in reservation)
Hebben
Gehad (Had)
Zijn [z]
Geweest (was, were)
Sluiten
Gesloten (Closed)
Doen
Gedaan (Done)
Zien
Gezien (Seen)
Bezoeken
Bezocht (Visited)
Wandelen [z & h]
Gewandeld (Walked, Strolled)
Drinken
Gedronken (Drunk)
Bevallen [z]
Bevallen (Pleased)
Maken
Gemaakt (Made)
Ontmoeten
Ontmoet (met)
Bestellen
Besteld (ordered)
Herhalen
Herhaald (repeated)
Vertellen
Verteld (told)
Erkennen
Erkend (Reconized / Admitted)
Geloven
Geloofd (believed)
Praten
Gepraat (talked)
Fietsen
Gefietst (Cycled)
Stoppen [z]
Gestopt (Stopped)
Branden
Gebrand (Burned)
Schilderen
Geschilderd (Painted)
Regenen
Geregend (Rained)
Reizen
Gereisd (Traveled)
Leven
Geleefd (Lived)
Kopen
Gekocht (Bought)
Brengen
Gebracht (Brought)
Beginnen [z]
Begonnen (Started)
Komen [z]
Gekomen (Come)
Blijven [z]
Gebleven (Stayed, remained)
Gaan [z]
Gegaan (gone)
Vertrekken [z]
Vertrokken (left)
Verhuizen [z]
Verhuisd (moved house)
Vallen [z]
Gevallen (Fell)
Worden [z]
Geworden (Became)
Trouwen [z]
Getrouwd (Married)
Scheiden [z]
Gescheiden (Divorced)
Geboren worden [z]
Geboren geworden (Was born)
Sterven [z]
Gestorven (died)
Rijden [z & h]
Gereden (drove)
Lopen [z & h]
Gelopen (Walked)
Vliegen [z & h]
Gevlogen (Flown)
Rennen [z & h]
Gerend (Run)
Eten
Gegeten (ate)
Treffen
Getroffen (To Meet, To Come Across, To Be Lucky)
Lezen
Gelezen (read)
Verteld (told)
Vertellen