Passe compose Flashcards
être
été, zijn
avoir
eu, hebben
devoir
dû, moeten
recevoir
reçu, ontvangen
pouvoir
pu, kunnen en mogen
lire
lu, lezen
boire
bu, drinken
savoir
su, weten
voir
vu, zien
prévoir
prévu, voorzien, voorspellen
(re)connaître
(re)connu, (her)kennen
falloir
fallu, moeten, (alleen il)
tenir
tenu, (vast)houden
retenir
retenu, onthouden
vouloir
voulu, willen
dire
dit, zeggen
écrire
écrit, schrijven
prescrire
prescrit, voorschrijven
mettre
mis, plaatsen en zetten en leggen en aandoen
permettre
permis, toelaten
promettre
promis, beloven
prendre
pris, nemen
apprendre
appris, leren
comprendre
compris, begrijpen
rire
ri, lachen
construire
construit, bouwen
conduire
conduit, voeren en brengen en besturen
produire
produit, veroorzaken en produceren
traduire
traduit, vertalen
courir
couru, lopen
croire
cru, geloven
ouvrir
ouvert, openen
découvrir
découvert, ontdekken
offrir
offert, aanbieden
souffrir
souffert, lijden
pleuvoir
plu, regenen
vivre
vécu, leven
monter
monté, beklimmen en stijgen
ê
rester
resté, blijven
ê
sortir
sorti, buitenkomen en uitgaan
ê
(re)venir
(re)venu, (terug)komen
ê
aller
allé, gaan
ê
naître
né, geboren worden
ê
descendre
descendu, (af)dalen
ê
entrer
entré, binnengaan
ê
retourner
retourné, terugkeren
ê
retourner
retourné, terugkeren
ê
tomber
tombé, vallen
ê
rentrer
rentré, terug binnengaan en terugkeren
ê
arriver
arrivé, aankomen
ê
mourir
mort, sterven
ê
partir
parti, vertrekken
ê
passer
passé, gebeuren en voorbijgaan
ê