Meertaligheid Flashcards

1
Q

eloquent

A

wlesprekend

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

elegant

A

sierlijk

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

twisten

A

discussiëren

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

kandidaat zal doorgaan

A

BE = overuren nemen
NED= afscheid nemen en weggaan

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

aanvragen

A

verzoek

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

interimkantoor

A

uitzendbureau

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

jam (NED)

A

confituur(BE)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

herstellen(NED)

A

repareren(BE)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

pinpas(NED)

A

bankkaart(BE)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

binnen 10u geleverd

A

BE= na 10u krijg je het
NED= je krijgt het in max 10u

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

geld verdienen als….

A

NED= water
BE= slijk

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

…. in de wielen steken

A

NED= spaak
BE= stokken

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

… stijf houden

A

BE= been
NED= poot

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

met je … in boter vallen

A

BE= gat
NED= neus

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

tosti(NED)

A

croque-monsieur(BE)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

bakkie(NED)

A

tasje(BE)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
17
Q

ben je druk(NED)

A

heb je het druk(BE)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
18
Q

Hartstikke handig(NED)

A

superhandig(BE)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
19
Q

föhn(NED)

A

haardroger(BE)

20
Q

geheid(NED)

A

sowieso(BE)

21
Q

jurk(NED)

A

kleedje(BE)

22
Q

overhemd(NED)

23
Q

onderhemd(BE)

24
Q

moeten hebben uitgetest

A

moeten uitgetest hebben

25
Q

jasje,colbert(NED)

26
Q

hemd(NED)

A

onderhemd(BE)

27
Q

maillot(NED)

A

kousenbroek(BE)

28
Q

pantalon(NED)

A

lange broek(BE)

29
Q

laarzen met veters(NED)

A

botten met nestels(BE)

30
Q

trui(NED)

A

pullover (BE)

31
Q

lopen(BE)

A

wandeken(NED)

32
Q

om de week gaan we bij oma en opa

A

BE= elke week eten bij oma en opa
NEE= we gaan om de 2 weien eten bij oma en opa

33
Q

soepel(NED)

34
Q

kassabon(NED)

A

kassaticket(BE)

35
Q

fysiotherapeut(NED)

A

kinesist(BE)

36
Q

accountant(NED)

A

boekhouder(BE)

37
Q

marktkoopman (NED)

A

marktkramer(BE)

38
Q

meertalig

A

meerdere talen gebruiken in communicatie, zelf al begrijp je een andere taal alleen.

39
Q

luistertaal

A

vorm van meertalige communicatie waar mensen met verschillende moedertalen hun eigen taal spreken en toch elkaar verstaan.

40
Q

code-mixing

A

taalmeningen waarbij van de ene taal naar de andere wordt geschakeld bij code mixing is het woorden binnen zinnen

41
Q

code-switchen

A

taalmeningen waarbij van de ene taal baar de andere wordt geschakeld bij code switchen is het schakelen tussen zinnen

42
Q

translanguaging

A

leerling mag bv zijn thuistaal in de klas gebruiken om beter verstaanbaar te zijn.

43
Q

meerderheidstaal

A

van een gebied is de taak die door de meerderheid van de inwoners wordt gesproken (Vlaanderen=Ned)

44
Q

minderheidstaal

A

bv arabisch,turks, pools –> door de minderheid van de inwoners gesproken.

45
Q

lingua franca

A

taal die als gemeenschappelijke communicatietaal gebruikt wordt tussen mensen ket verschillende moedertalen. Bv contact tussen Ned talige en andere EU –> Engels en Frans

46
Q

Global English

A

wanneer engels ingezet wordt on te communiceren tussen 2 mensen met een verschillende moedertaal dan is er sprake van Global English en dat is een verwenvoudigde vorm van Engels