Les22 Flashcards
Vragen (de)
Questions
Kennen (kennen)
Know
Wij
We
Elkaar
Each other
Jij
You
Bij
Near
Straat (de)
Street
Zie
See
Jou
You
Vaak
Often
Fietsen (fietsen)
Cycle, cycling
Geloof
Believe
Niet
Not
Met
With
O
Oh
Buiten
Outside
Hoe
How (hoe heet jij= (what’s your name)
Heet (heten)
Are called (hoe heet jij = what is your name)
Ben
Are
Je
You
Alleen
By yourself, alone
Nee
No
Vriend (de)
Boyfriend
Hij
He
Daar
There
Vrouw (de)
Wife (woman)
Er
There
Ze
She
Staan (staan)
Stand
Onze
Our
Kinderen (de)
Children
Die
That
Jongen (de)
Boy
Dat
That
Meisje (het)
Girl
Leuke
Nice
Ze
Them
Altijd
Always
Spelen (spelen)
Play
Heten (heten)
Are called(hoe heten ze=what are their names)
Ze
They
Zoon (de)
Son
Dochter (de)
Daughter
Oud
Old
Zijn (zijn)
Are
Twaalf
Twelve
Bijna
Nearly
Elf
Eleven
Heb (hebben)
Have
Geen
No
Nog
Still (nog niet =not yet)
Jong
Young
24 (vierentwintig)
Twenty four
Dertien
Thirteen
Veertien
Fourteen
Vijftien
Fifteen
Zestien
Sixteen
Zeventien
Seventeen
Achttien
Eighteen
Negentien
Nineteen
Twintig
Twenty
Dertig
Thirty
Veertig
Forty
Vijftig
Fifty
Zestig
Sixty
Zeventig
Seventy
Tachtig
Eighty
Negentig
Ninety
Honderd
One hondred