Les 23 Flashcards
Ons
Our
Huis (het)
House
Woonkamer (de)
Living room
Slaapkamer (de)
Bedroom
Keuken (de)
Kitchen
Het
The
Toilet (het)
Toilet
Bedkamer (de)
Bathroom
Trap (de)
Stairs
Gang
Hall
Eerste
First
Verdieping (de)
Floor
Tweede
Second
Dit
This
Zien (zien)
See
Deur (de)
Door
Kom (komen)
Come
Binnen
Inside,in
Welkom
Welcome
Achter
Behind
Eten (eten)
Eat
Maar
But (kom maar binnen=come on in)
Zo
So, that way
Ga (gaan)
Go
Naar
To (ga naar boven=go upstairs)
Boven
Upstairs
Slaapkamers (de)
Bedrooms
Hebben (hebben)
Have
Hun
Their
Eigen
Own
Kamer (de)
Room
Deze
This
Kleine
Small
Liggen (liggen)
Laying
Op
On
Ruimte (de)
Space
We
We
Allerlei
All sort of
Spullen (de)
Stuff
Dingen (de)
Things
Nodig
Need
Nu
Now
Alles
All
Gezien
Seen
Best wel
Quite
Ruime
Large
Woning (de)
Apartment
Hè
Isn’t it
Eten (het)
Food, meal
Maken (maken)
Make
Wat
Something
Drinken (het)
Drink
Beneden
Downstairs
Links
On the left
Licht
Light
Zit
Is
Rechts
On the right