Leerdoelen pag. 1 Flashcards
De 4 structuren van eiwitten + wat ze zijn
Primaire structuur: dit is de volgorde en het aantal aanwezige aminozuren
Secundaire structuur: dit is de spiraalvorm van het eiwit
Tertiaire structuur: het dubbelvouwen van het spiraalvormige eiwit
Quaternaire structuur: de samenwerking tussen de verschillende polypepdideketens en/of andere stoffen
Krachten betrokken bij de structuren van eiwitten (4)
Er komen van der Waalskrachten en hydrofobe zijgroepen
Er ontstaan waterstofbruggen
Er worden ion bindingen gevormd
Er worden zwavel bruggen gevormd
Chaperonne-eiwitten
Voorkomen dat eiwitten verkeerd vouwen
Prionen
Ziekmakende deeltjes die zich kunnen vormen uit eiwitten. Deze prionen worden gevormd tijdens het vouwen van de eiwitten
De 5 functies van eiwitten
Chemische omzetting. Structuur. Transport. Communicatie. Regulatie. (ze activeren)
Ligand
Molecuul dat aan een ander (meestal groter) molecuul kan binden. Bindt alleen aan een specifiek doelmolecuul.
Antilichamen
Immunoglobine eiwitten die geproduceerd worden door responsen van het immuunsysteem. Elk antilichaam kan binden aan een specifiek target molecuul.
Post translationele modificatie
Een verandering van een eiwit tijdens of na de eiwitsynthese.
De eiwitsynthese
Het aanmaken van eiwitten door polymerisatie van aminozuren in een cel.
GTPase
Een enzym dat in staat is om GTP te hydrolyseren waarbij de terminale fosfaatgroep wordt afgesplitst en GDP ontstaat.
ATP
Een ribonucleotide dat in de stofwisseling van de cel een rol bijdraagt van het leveren van chemische energie.
Gen
Een gen is een eenheid van erfelijk materiaal waarmee organismen erfelijke eigenschappen mee door kunnen geven aan hun nageslacht. Bestaande uit intronen en exonen.
Intronen
Een intron is een stukje DNA dat zich in een gen bevindt maar niet wordt gebruikt om te coderen voor een eiwit. Niet coderend DNA, Junk DNA.
Exonen
Een exon is het coderende gedeelte van een gen.
Allel
Een allel is een variant van een gen. Deze codeert voor een bepaalde eigenschap, deze eigenschappen zijn erfelijk bepaald.
Fenotype
Het fenotype is de waarneembare eigenschappen van een organisme. Het is fenotype is dus je uiterlijk
Genotype
Het genotype is een verzameling van alle eigenschappen die je hebt geërfd van je ouders.
Nucleotide
Een nucleotide is een onderdeel van het DNA of RNA dat bestaat uit een base (A,T,C,G,U), een fosfaatgroep en een suikergroep. Dit zijn de bouwstenen waaruit DNA of RNA is opgebouwd.
Purine
Een purine is een heterocyclische verbinding met een pyrimidine ring gekoppeld aan een andere ring. Deze ringen bevatten een dubbele binding. De basen adenine en guanine zijn purines.
Pyrimidine
Dit is een organische base die bestaat uit een heterocyclische aromatische ring met 2 stikstofatomen. Ook bij deze is een dubbele binding aanwezig. De basen thymine, cytocine en uracil zijn pyrimidines.
Denaturatie
Denaturatie is het verlies van ruimtelijke structuur. De functie van een molecuul hangt samen met de samenstelling en structuur. Dus wanneer een molecuul denatureert verliest het ook de functie.
DNA supercoiling
DNA-strengen zijn van zichzelf best lang. Wanneer deze in een celkern moet passen is het lastig om een streng DNA te laten passen. Om deze reden past het DNA zichzelf aan en rolt het zichzelf op, de Coiling help het DNA om zichzelf op te vouwen zodat het in een kleine ruimte kan passen.
DNA smelttemperatuur
Het smeltpunt van DNA is de temperatuur waarop de 2 DNA-strengen van elkaar los laten, waarop het DNA dus denatureert. Bij het PCR-proces wordt gebruik gemaakt van primers. De smelttemperatuur van deze primers ligt bijna altijd tussen de 50 C en 68 C.
RNA
RNA is opgebouwd uit 1 streng van nucleotiden. Deze vormt ook een helix. De aanwezige nucleotiden bestaan uit de basenparen (A,U,C,G), een ribose-suikergroep en een fosfaatgroep.