LATIJN 11 Flashcards
toets
1
Q
nemo
A
(onbepaald vnw) niemand
2
Q
nihil
A
(onbepaald vnw) niets
3
Q
intrare
A
intro, 1 binnengaan
4
Q
portare
A
porto , 1 dragen
5
Q
rogare
A
rogo , 1 vragen
6
Q
aedificare
A
aedifico , 1 bouwen
7
Q
clamare
A
clamo, 1 roepen
8
Q
dormire
A
dormio , 4 slapen
9
Q
habere
A
habeo , 2 hebben; beschouwen als
10
Q
inquit
A
zegt hij/zij
11
Q
deinde
A
BIJW daarna
12
Q
denique
A
BIJW ten slotte
13
Q
domum
A
BIJW naar huis
14
Q
etiam
A
BIJW ook;zelfs;nog
15
Q
hic
A
BIJW hier
16
Q
iam
A
BIJW al;dadelijk
17
Q
ibi
A
BIJW daar
18
Q
ideo
A
BIJW daarom
19
Q
itaque
A
BIJW daarom;en zo
20
Q
saepe
A
BIJW dikwijls
21
Q
semper
A
BIJW altijd
22
Q
sic
A
BIJW zo
23
Q
simul
A
BIJW tegelijk