Jazz Flashcards
improvisatie
(It. ‘onvoorzien’) Als de muziek niet (of niet geheel) van tevoren is vastgelegd maar door een muzikant ter plekke wordt verzonnen.
swing
Om die swing te krijgen spelen jazzmuzikanten achtste noten niet even lang.
syncopen
accenten die niet op de tel zitten.
worksong
Werkliederen van afro-Amerikanen, gezongen door de slaven tijdens het zware werk. iemand zingt een regel, de hele groep herhaalt die.
call-and-response
Vraag en antwoord tussen bijvoorbeeld voorzanger en koor (in gospel) of zanger en gitaar (in blues).
blues
Muziekstijl (vanaf ± 1860) ontstaan in het zuiden van de Verenigde Staten met call-and-response (tussen zanger en gitaar bijvoorbeeld), blue notes en vaak een vast akkoordenschema van 12 maten.
slide-techniek
Met (een buisje over) de wijsvinger over de snaren glijden, zodat er een klagend, huilend geluid ontstaat.
blue note
Een verlaagde toon in de bluestoonladder. Eigenlijk een nabootsing van een (te laag) gezongen noot of een verbogen noot op de gitaar.
dirty intonation
Het expres onzuiver aanzetten van een toon bijvoorbeeld door de snaar te buigen.
ragtime
Muziekstijl (ontstaan einde 19e eeuw) oorspronkelijk voor piano waarin de linkerhand in een achtste ritme heen en weer springt tussen basnoten (laag) en akkoorden (midden) en de rechterhand (hoog) een melodie speelt met syncopen.
spirituals
(Meestal) Christelijke liederen, ontstaan bij Amerikaanse slaven in de 19e eeuw. Eerst unisono en a capella gezongen, nu meestal in een koorzetting.
collectieve improvisatie
Als meerdere mensen tegelijkertijd improviseren.
new orleansjazz
Oudste jazzstijl (afkomstig uit New Orleans aan het einde van de 19e eeuw) met als kenmerken een ‘frontline’ (enkele blazers zoals trompet, trombone, klarinet) een ritmesectie (gitaar, banjo, akoestische bas of tuba, drums) en collectieve improvisaties.
dixieland
De blanke versie van New Orleansjazz. De bezetting heeft veel blazers (afkomstig uit de brass bands).
chicagojazz
Jazzstijl volgend op New Orleansjazz: geen collectieve improvisaties meer maar solo improvisaties op een strakke begeleiding van bas, drums en piano.
scatvocals
(Afkomstig uit de jazz) Het improviseren met de stem met woorden zonder betekenis (zoals ‘doo be doo ah’) in plaats van tekst.
bigbands
Een jazz ensemble bestaande uit vier secties: drie blazerssecties (trompet, trombone en saxofoon) en een ritmesectie (drums, bas, gitaar, piano).
riffs
Een ostinato; een korte melodie, een aantal akkoorden of een ritmisch patroon dat herhaald wordt.
standards
Een spiritual, traditional, musicallied of andere song die zo bekend geworden is, dat hij behoort tot het vaste repertoire van elke jazzmuzikant. De lijst wordt nog steeds aangevuld
bebop
Jazzstijl (ontstaan in de jaren 40 van de vorige eeuw) die zich kenmerkt door een hoog tempo, virtuoos spel en improvisaties op een complex akkoordenschema. Gespeeld door een jazzcombo (trompet en/of saxofoon, ritmesectie).
cooljazz
Jazzstijl (ontstaan in de jaren 50 van de vorige eeuw) die minder grillig is dan bebop met vaak gecomponeerde arrangementen en legato melodieën. Gebruikt ook andere instrumenten zoals fluit en vibrafoon.
hardbop
Jazzstijl (Ontstaan in de jaren 50 van de vorige eeuw) die toegankelijker is dan bebop door het gebruik van elementen van rhythm & blues en gospel. Hardbop is regelmatig recht en niet in swing, het klinkt daardoor meer als popmuziek.
freejazz
Jazzstijl (ontstaan in de jaren 50/60 van de vorige eeuw) die heel experimenteel is: juist afwijken van algemeen geldende afspraken over vaste akkoordenschema’s, toonsoort, gelijkblijvend tempo e.d.
fusion
Term die van toepassing is op alle muziek waarin twee stijlen met elkaar gecombineerd/gefuseerd zijn. Wordt vaak gebruikt voor jazzrock.
jazzrock
Muziekstijl die jazz met pop combineert; eenvoudiger akkoordenschema’s, rechte achtstes, popinstrumentarium.
latinjazz
Muziekstijl die jazz met pop combineert; eenvoudiger akkoordenschema’s, rechte achtstes, popinstrumentarium.