Hoofdstuk 7 Flashcards
Aanleunwoning
De, shelter accommodation
Amper
Barely, hardly
Bezigheid
De, activity, occupation
Chagrijn
Het, chagrin, annoyance
Gedachte
De, thought
Geruststellen
To reassure
Heden
Present day
Klasgenoot
De, classmate
Koppel
Het, couple
Ophangen
To hang up
Opknappen
To refurbish
Oppassen
To baby-sit
Opvoeding
De, upbringing
Slok
De, sip, swallow
Vertrouwd
Trusted, familiar
Zalig
Gorgeous, divine
Zodoende
In this, that way
Besteden
To spend
Bevolking
De, population
Dalen
To decrease
Gelijk blijven
Stay the same
Gepensioneerd
Retired
Gevolg
Het, effect, result
Omhooggaan
To go upwards
Oorlog
De, war
Oudere
De, elder
Pensioen
Het, pension
Prognose
De, prognosis
Relatief
Comparative
Tegenover
Opposed, across
Termijn
De, period, term
Toenemen
To increase, to grow
Vergelijken met
Compare with, to
Vergrijzen
To age
Vertaling
De, translation
Verwachting
De, expectation
Volop
Abundance
Vrijwilliger
De, volunteer
Afscheid
Het, departure, farewell
Beschuit
De, biscuit
Bevestigen
To confirm
Binden
To unite
Echtgenoot
De, spouse
Individu
Het, individual
Doodskist
De, coffin
Nabestaande
De, surviving relative
Oorzaak
De, cause
Overgang
De, transition
Overledene
De, deceased
Overlijden
To die
Ruimte
De, room, space
Toespraak
De, speech
Uitvaart
De, funeral
Weduwnaar
De, widower