hoofdstuk 6 Flashcards
1
Q
der untericht
A
het onderwijs
2
Q
die ubung
A
de oefening
3
Q
der spickzettel
A
het spiekbrijfje
4
Q
der bleistift
A
het potlood
5
Q
der bluntstift
A
het kleurpotlood
6
Q
die ausrede
A
het smoesje
7
Q
die fedemappe
A
het etui
8
Q
die uhr
A
de klok
9
Q
das heft
A
het schrift
10
Q
schwanzen
A
spijbelen
11
Q
schlau
A
slim
12
Q
die leistung
A
de prestatie
13
Q
die verpflegung
A
het voedsel
14
Q
die verpflichtung
A
de verplichting
15
Q
die welt
A
de wereld
16
Q
das abitur
A
het eindexame
17
Q
das zeugnis
A
het rapport
18
Q
unterrichten
A
onderwijzen
19
Q
auẞerdam
A
bovendien
20
Q
begeistert
A
enthousiast
21
Q
dran sein
A
aan de beurt zijn
22
Q
drauẞen
A
buiten
23
Q
fertig
A
klaar
24
Q
nervig
A
krachtig
25
Q
punktlich
A
stiipt
26
Q
selbstverstsndlich
A
vanzelfsprekend